Wie
thans de parate Edese brandweer bekijkt, kan zich moeilijk voorstellen dat deze
onmisbare dienst tot aan de Tweede Wereldoorlog vrijwel geheel uit vrijwilligers
bestond.
Toen in 1822, door van zes brandspuiten voor Ede en de buitendorpen
de brandbestrijding efficiënter werd, wees de burgemeester, gebruik makend
van een verordening betreffende persoonlijke diensten, mannen aan om voor een
bepaalde tijd als brandweerman te fungeren.
Geleidelijk beschikte men echter
over voldoende vrijwilligers die per gewerkt uur betaald Werden. De beloning van
deze mensen werd tijdens de raadsvergadering van vrijdag 2 maart 1934 opnieuw
vastgesteld. B en W stelden voor , zowel bij brand als bij oefeningen, de commandant
zestig cent en brandweerlieden veertig cent per uur te betalen.
De heer Bouwman,
raadsvertegenwoordiger uit Otterlo, was het daar niet mee eens. De mannen uit
zijn dorp moesten zelf het water pompen en deden daardoor veel zwaarder werk dan
hun collega's uit Ede waar men over een motorspuit beschikte.
Alleszins redelijk
dat deze mensen wat meer verdienden.
Uitbetalingslijst
Aan animo
is echter geen ebrek, aldus de heer Hey. Bij de kleinste brand in Otterlo of Harskamp
komen minstens twintig vrijwilligers aanzetten die, na afloop, elkaar verdringen
om op de uitbetalingslijst te komen.
De voorzitter , burgemeester Creutsz,
corrigeert deze sneer door te verklaren dat bij een normale brand de commandant niet
meer dan twaalf man mag inzetten. De heer Budding vindt de voorgestelde beloning
op zichzelf veel te laag, er zijn mensen bij die in hun bedrijf een uurloon van
zestig cent of meer verdienen en er bij een langdurige brand dus dik geld bij
moeten leggen. Wethouder Van de Bosch meent dat veertig cent voor een plattelandsgemeente
ruim voldoende is.
Niettemin blijft Bouwman op zijn standpunt staan en wenst
de volgende aanvulling: "In dorpen waar geen motorspuit aanwezig is, zal
het uurloon van de brandweerlieden vijftig cent bedragen". Zijn suggestie
wordt in stemming gebracht maar met de kleinst mogelijke meerderheid tien tegen
negen stemmen verworpen.
Nu de brandweer toch in het geding is, klaagt de heer
Pereboom dat het blussingswerk vaak zo laat op gang komt; soms is er al niets
meer te redden. De heer Oostwaard, als altijd goed geïnformeerd, noemt in
dit verband een voorbeeld waarbij de brandweer geen blaam treft.
Enige
tijd daarvoor ontstond brand in een hooiberg aan de Peteweg: buren schoten toe
om te helpen en één van hen vroeg de boer of hij de brandweer
al had gewaarschuwd. De man reageerde verbaasd .Als ze in Ee die rookwolken eiges
niet zien, is mien die hele brandweer ok geen knip voor de neus weerd.
Gelagkamer
"Maar
aan de andere kant", zo vervolgde Oostwaard, nog geen veertien dagen terug
was er brand in café Barth en in een mum van tijd liep de gelagkamer
vol brandweerlieden, misschien is de plaats van de brand van invloed op het tempo.
Om verdere ontboezemingen te voorkomen, maakt de voorzitter een eind aan de debatten
en wordt, zonder hoofdelijke stemming, het in aanvang genoemde voorstel van B
en W aangenomen.
Bleef de beloning van de brandweerlieden dus aan de zuinige
kant, men kan moeilijk beweren dat de zaken niet serieus behandeld werden.

