Onder
het eerste ministerie van Thorbecke kwam, In 1853, een nieuwe gemeentewet tot
stand waarin onder meer werd bepaald dat voortaan elke gemeente voor haar behoeftige
inwoners had te zorgen. Door de jaren heen zijn er nu eenmaal mensen geweest,
die, veelal door omstandigheden buiten hun schuld, geholpen moesten worden, vandaar
dat deze hulp nu wettelijk werd geregeld.
In Ede keek men aanvankelijk
de kat uit de boom, maar wet is nu eenmaal wet. Zo werd dan ook tijdens de raadsvergadering
van 2 juli 1855 overgegaan tot instelling van een burgerlijk armbestuur, kortweg
aangeduld als B.A. De volgende gegevens danken we aan het gemeentelijk archief
en het boekwerk "De geschiedenis van Ede" .
Het B.A.bestuur bestond
oorspronkelijk uit vijf personen, bijgestaan door een secretaris-rentmeester.
Zij allen werden, bij voordracht door de Raad benoemd. Het eerste armbestuur
bestond uit de heren: A. A. C. de Vries.
Robbé, Ede; J. C. Romein, Lunteren;
J.N. Prins en baron van Wassenaar, Bennekom en R. v. Schoonhoven,
Geld. Veenendaal
.daarnaast werd verspreid over alle dorpen van de gemeente, een aantal armverzorgers
aangesteld die voor de praktische toepassing van het B.A. moesten zorgen. Bij
hen konden de daarvoor in aanmerking komende inwoners terecht met een verzoek
om ondersteuning.
Daarbij ging men serieus te werk, de armverzorger had te
letten op het zedelijk gedrag van de aanvrager, of hij nog tot werken in staat
was en niet reeds uit andere hoofde een uitkering ontving.
Bovendien werd de
financiële draagkracht van zijn familie nagegaan om vast te stellen voor
hoeverre zij eventueel in de ondersteuning van de aanvrager konden bijdragen.
Waren deze zaken in orde dan werd de man of vrouw als bedeelde ingeschreven.
Het bedrag dat deze bedeelden ontvingen was die eerste jaren ook niet om over
naar huis te schrijven. In geval van ouderdom of lichaamszwakte ontving hij
of zij een gulden en een echtpaar een daalder per week. Dat gold dan nog uitsluitend
voor de wintermaanden;.bij zomerdag werp deze steun tot drievierde terug gebracht.
Tot de inwerkingtreding van de Armenwet was de armenzorg in hoofdzaak
een aangelegenheid voor de diaconie van de Ned. Herv. Kerk, destijds de enige
in ons dorp, geweest. Een uitzondering vormde geneeskundige hulp voor onvermogenden,
deze kwam voor rekening van het Ambt, later de gemeente Ede. De uitgaven van de
diaconie werden bestreden uit inkomsten van bezittingen, schenkingen, de zondagse
collectes en armenbussen die in vrijwel alle café's hingen en bij openbare
verkopingen werden geplaatst. Misschien eigenaardige plaatsen om daar de aandacht
op minder bedeelden te vestigen, maar het bracht toch gemiddeld veertig gulden
per jaar op.
In de zeven en achttiende eeuw waren ook nog de zgn. "armenoortjes"
in zwang. Bij het huren van kerkelijke gronden of bezittingen moest de pachter
van elke gulden huur een oortje, ter waarde van een kwart stuiver aan je diaconie
betalen. Dat zette wel geen zoden aan de dijk maar leverde de bijv. in 1754 toch
drie en veertig gulden en veertien stuivers op.
Het B.A. beschikte over andere
bronnen van inkomsten met als voornaamste een belangrijke bijdrage uit de gemeentekas.
Het eerste jaar werd hiervoor f 2750 uitgetrokken een bedrag dat in 1871 al tot
een en veertighonderd gulden was opgelopen. Verder ontving het armbestuur
een gedeelte van de vermakelijkheidsbelasting en waren voor het goede doel
bussen geplaatst bij de ingang van de gemeentelijke kerkhoven, hetgeen oudere
lezers nog wel kunnen herinneren.
Soms werden legaten uit erfenissen ontvangen
zoals op 26 augustus 1910.
Er was een schrijven binnen genomen van notaris
G. D. Rieu uit Voorburg waarin stond vermeld dat mevr. de wed .
Mensonides-Krokke
v.d. Meulen, overleden 19 juni 1910, in haar testament een bedrag van twee honderd
vijftig
gulden, vrij van successierechten, had vermaakt ten behoeve van het B.A. van Ede.
Haar man, wijlen dokter Mensonides, had een aantal jaren in Ede zijn praktijk
uitgeoefend en blijkbaar was zijn vrouw de behoeftigen uit ons dorp niet vergeten.
Het
eerste jaar werd aan acht en zeventig personen uit de gemeente voor korte of langere
tijd geldelijke ondersteuning verstrekt tot een totaal bedrag van vierentwintig
honderd en vijftig gulden en daarbij nog voor driehonderd zestig gulden in natura.
Geleidelijk steeg het aantal uitkeringen, het jaarverslag van 1915 maakt melding over
een totaal bedrag van f 9593,521/2.
Vooral ouderen en minder valide mensen
kregen het in deze mobilisatiejaren zwaar te verduren en klopten, noodgedwongen,
bij de armenverzorgers aan. De uitkeringen bleven nog altijd mondjesmaat, getuige
een aantal bewaarde afschriften van bonnen voor levensmiddelen die verstrekt
werden en waarvan we er een laten volgen. Op 7 december 1915 ontving een huisvrouw in Harskamp, heel royaal, een brood van tien cent en twee lood koffie a vijftien
cent. De bon was ondertekend door de veldwachter en armverzorger Kraayenbrink.
Nog zo'n document van latere datum: de armverzorger J. v. Snippenberg te Lunteren
bettaalde 28 april 1934 de somma van drie en tachtig cent aan de kolenhandelaar
C. van Harten. Deze moest daarvoor H.L. cokes leveren aan een gezin in Meu-Lunteren.
Dat
een brutaal mens soms de halve wereld bezit, bewees in 1918 een inwoner uit Lunteren.
Deze man had een been
gebroken en bezat blijkbaar weinig vertrouwen in de huisdokter.
Hij liet zich althans voor behandeling opnemen in het Diaconessen-ziekenhuis
te Arnhem op kosten van het armbestuur. Toen na genezing de rekening kwam weigerde het
bestuur deze te betalen. Men was van het geval in het geheel niet op de hoogte
en kon dus onmogelijk opdracht voor opname gegeven hebben. De heren werden
van hogerhand in het gelijk gesteld en daar bij de patiënt ook geen cent
viel te halen, draaide het ziekenhuis uiteindelijk zelf voor de verpleegkosten
op.
Voor enkele totaalonbemiddelde geesteszieken en zwaar gehandicapten betaalde
het B.A. een deel van de verpleegkosten aan de inrichtingen waar zij verbleven.
Deze bedragen gingen tijdens genoemde mobilisatiejaren met sprongen omhoog. Zo
was een Edes meisje ondergebracht in "de Rekker" waarvoor een jaarlijks
bedrag van driehonderd vijftig gulden werd betaald.
Per 1 januari 1919 werd
dit bedrag evenwel tot negenhonderd verhoogd, tot ontzetting van het bestuur.
Na lang onderhandelen en veel heen en weer geschrijf, wist men de aanslag tot
zeshonderd gulden terug te brengen.
Nog steeds werden goede contacten met de
plaatselijke diaken te onderhouden maar dit college stelde zich op het
standpunt
dat sinds de invoering van het B.A. zij voortaan alleen de belangen van eigen
lidmaten behartigde. Wel zijn er voorgangers geweest. o.a. ds. Brouwer die
een bredere kijk op dergelijke zaken toonden. Als een ondersteuning werd afgewezen
terwijl hulp toch dringend nodig bleek, klopte ds. Brouwer bij welgestelde gemeenteleden
aan en ontzag ook zijn eigen portemonnee niet om bij te springen.
Een geweldige
toeloop kreeg het B.A. tijdens de beruchte dertiger crisisjaren. Van de uitkeringen
door overheidswege verstrekt konden de talrijke werkelozen met hun gezinnen amper
eten op tafel brengen, laat staan kleren of schoeisel kopen. Voor velen van
hen betekende de gang naar de armezorger een zware stap. Nooit hadden zij een
beroep op de gemeenschap behoeven te doen en zij voelden het als een diepe vernedering
om, bij wijze van spreken, voor zo'n man hun hele hebben en houden op tafel
te leggen. Maar nadat de eerste drempelvrees was overwonnen, ging het wat gemakkelijker
al bleef bij sommige een wrange bijsmaak bestaan.
De armmeesters maakten
in deze jaren volop overuren. Zij hielden op bepaalde tijden zitting aan huis
waar de gegadigden soms in een rij voor zijn deur stonden. Geval voor geval
werd apart behandeld; in de gemeente werden nu wekelijks gemiddeld honderd vijfenzeventig
levensmiddelenbonnen uitgeschreven hetgeen de nodige administratie meebracht.
Geen wonder dat de heren armverzorgers om een betere geldelijke tegemoetkoming
vroegen en verkregen. Tijdens de raadsvergadering van 22 november 1934 werd
besloten hun jaarlijkse toelage per 1 januari 1935 van zestig tot honderd gulden
te verhogen.
Voor de aardigheid de namen van de armverzorgers uit die perioden
van de buitendorpen: voor Otterlo E. J. Beumer. C. Kleinrensink, in Bennekom J.
v. Snippenberg. in Lunteren A. v. Hardeveld voor Ederveen en Geld. Veenendaal.
In Ede bezat op dit terrein de naam Eylander een bekende klank. In 1860 werd J.
Eylander tot armverzorger benoemd. na diens overlijden opgevolgd door zijn zoon
G. Eylander en daarna een derde generatie H. A. Eylander.
Ook onder de namen
van de diverse secretaris-rentmeesters treffen we vroeger heel bekende Edenaren
aan,
zoals A. v.d. Craats, 0. R. Berger en H. Staf. De laatste man in deze
functie was de heer L. van Zoelen, benoemd 12
september 1924 en afscheid genomen
op 11 oktober 1935.
Inmiddels was de administratie van het B.A. zo omvangrijk
geworden dat op laatstgenoemde datum de villa "Mignon' aan de Torenstraat
als kantoor in gebruik werd genomen en geleidelijk betaalde krachten werden aangesteld.
Toch
werd pas 30 juni 1943 "Het Burgerlijk Armbestuur" officieel opgeheven
om plaats te maken voor de Gemeentelijke dienst van sociale zaken met als eerste
directeur de heer E. Plomp.

