Te weinig om van te leven,te veel om dood gegaan.

Bijna zijn leven lang timmerde hij aan de politieke weg. Als vakbondsbestuurder, als raadslid, als wethouder enals loco-burgemeester. In de Edese gemeenteraad zat hij achtendertig jaar, waarvan twintig jaar als wethouder sociale zaken en huisvesting. Dit alles niet zonder zijn sporen na te laten: hij was de man achter de Stichting Arbeidersorg die in de 30-er jaren opgericht werd, de motor achter het ontstaan van een Centrale Woningstichting en hij was ook de vakbondsman die met tachtig werklozen op een zaterdag op de stoep van de burgemeester stond. "Rooie" Arie Roseboom, de doordouwer, de man die een geruchtmakende reputatie verwierf, die eerst te "rood" was, later "niet representatief genoeg". Nu blikt de Bennekommer terug op het Ede van voor de oorlog.


Werkeloosheid en woningnood kenmerken voor mij de jaren van voor de oorlog. Ik werd in '35 raadslid voor de SDAP,maar al lang daarvoor had ik bemoeienis met de hoge nood die er was, als vakbondsbestuurder.

In de vakbond kwam ik terecht na de wilde staking in de twintiger jaren bij de Enka.
Een ploeg Wageningse arbeiders,waaronder mijn persoon,nam geen genoegen met de verplichtingen om zaterdags te werken. We vetrokken en de personeelschef, de columnist Jef Last ,kwam ons tot in Bennekom nafietsen om ons over te halen terug te komen. Ik heb na 24 jaar bij de Enka gewerkt,ben ermee opgehouden wegens mijn vele drukke andere werkzaamheden.

Ik ben hier in Bennkom geboren ,in 1907. Kort daarop verhuisden mijn ouders naar Wageningen. Via Veenendaal en Ede ben ik hier weer terecht gekomen. Ik ben een arbeider,met maar zes jaar lagere school,anders niks. Op elfjarige leeftijd moest ik gaan werken,hoe graag ik ook door had willen leren.
Ik kom van zeer christelijke huize,mijn vader was AR-lid. Met de partij SDAP kwam ik in aanraking via mijn vakbondswerk.

Werkverschaffing
Waar ik en als vakbondsman en als raadslid in de dertiger jaren mee te maken had, was de tewerkstelling van steuntrekkers. Werklozen, die georganiseerd waren binnen een bond, kregen het eerste half jaar zes weken loon uitgekeerd uit de werkelozenkas van de bond, daarna moesten ze hun hand ophouden bij de gemeente. Van de armenzorg kreeg een gezin dan zo'n drie of vier gulden per week. Te weinig om van te leven, te veel om dood te gaan.

Sommige ontvingen via de kerk ook nog een bijdrage , maar dat werd vaak niet opgegeven. Het armenbestuur ging kijken of er geen objecten waren voor de tewerkstelling van de werkelozen.
Twee projecten die op die manier verwezenlijkt werden ezijn de Otterlose vijver, oftewel recreatiepark de Zanding en.
het openluchttheater dee Kuil, in Ede. De mensen moesten daar gaan werken, anders werd hun steun ingetrokken . Maar ze waren toen gemakkelijker dan nu:velen waren blij iets te doen te hebben,wat het ook was.

Fanatiek
Ik was zeer fanatiek, trok me het lot van de steuntrekkers aan. Toen ze op een zaterdag dan ook klaagden die week geen geld gebeurd te hebben na een week graven in Otterlo, ben ik met zo'n tachtig man in mijn kielzog naar burgemeester baron C. a. Ph. Creutz, die in Bennekom woonde, getogen. Ik eiste geld voor mijn mensen, en na een urenlange discussie trok de burgervader zijn chequeboek en schreef een kwitantie van vijfhonderd gulden uit. Tot elf uur 's avonds hebben we
toen met z'n drieën zitten puzzelen hoe het te verdelen.

Verrot
Jammer genoeg bezit ik geen enkel papier meer uit die tijd. Alle raadsverslagen enzovoort begroef ik in het begin van de bezetting onder een prieeltje in mijn tuin.
Toen ik de koffer met inhoud na de oorlog weer op wilde graven, bleek de hele boel verrot te zijn.
'Mijn grote liefde was wel de Stichting Arbeidszorg. Die voorloper van de werkplaats voor minder-validen, die nu nog aan de Zanderijlaan in Ede is, daar heb ik me heel erg sterk voor gemaakt. Het is erg moeilijk geweest dat van de grond te krijgen,
het was vlak voor de oorlog. Ik weet nog hoe een vakantie van me in Oostenrijk erdoor naar de bliksem ging: ik zat daar in hevige spanning te wachten op bericht uit Nederland of het nu uiteindelijk doorging, of niet. Bij mijn terugkomst bleek alles
in kannen en kruiken te zijn.
We zijn heel klein begonnen: er werkten misschien twaalf mensen. Van de vier gemeenten, die het op touw zetten: Wageningen, Barneveld, Renkum en Ede nam de laatste wel het voortouw. We kwamen ook al snel met iets zeer bijzonders. Via
een ingenieur van de Landbouwhogeschool lukte het me in de werkplaats een logorytmische spuit voor de landbouw te laten maken, die wordt nu nog over de hele wereld verkocht. Het was moeilijk aan werk te komen in die beginjaren, we huisden in kleine werkplaatsen, dan hier en dan daar. Ons belangrijkste product werd op een goed moment kleutermeubeltjes.

De kroon op mijn inspanningen voor de Stichting Arbeidszorg was wel het bezoek van koningin Juliana in 1960. Ik leidde haar rond in ons nieuwe gebouw aan de Zanderijlaan en was apetrots.

In 1953 werd ik wethouder. De SDAP was toen natuurlijk al PvdA geworden. Tot 1973 ben ik wethouder gebleven, zij het de laatste vier jaar op eigen titel: met de lijst Roseboom. Ik heb heel wat burgemeesters meegemaakt; dat zullen er wel zo'n stuk of negen zijn, in die achtendertig jaar. Echt moeilijk heb ik het overigens niet gehad als "rooie rakker", in Ede. Politieke tegenstanders konden toen meer van elkaar verdragen,leek het wel. Er waren inmiddels zoveel dingen waar ik me niet meer mee verenigen kon,'t leek wel alsof het niet opkon zoiets.