Witkiel

Tot ruim tien jaar na de oorlog was ons station nog een kruier rijk, vanwege zijn helder wit jasje, ook wel "witkiel" genoemd. Oudere mensen of zij die doodgewoon liever lui dan moe waren en er een paar centen voor over hadden, konden hun bagage op elk gewenst adres laten bezorgen. Een man die dat werk jarenlang heen gedaan was. M. van de Hul, reeds in 1911 trad hij in dienst bij de spoorwegen om op 19 mei 1914 zijn vaste aanstelling als besteller te ontvangen. Aanvankelijk werkte hij samen met zijn oom, H. van de Hul, die hem het nodige bij bracht, maar in 1920 naar Amerika emigreerde, waardoor M. van de Hul besteller no.1 werd en bleef.
Zo'n vaste aanstelling klinkt wel aardig, maar het leverde niet meer op dan een paar witte kielen en een uniformpet met nummer. Aan deze baan was namelijk geen salaris verbonden, de verdiensten moesten komen uit het bezorgen van per spoor verzonden bestelgoederen en het aanbod van reizigers. Op zijn transportfiets met voorop een grote bagagedrager, bracht Van de Hul de goederen, koffers en wat er maar kwam kijken naar de opgegeven adressen.
Vooral tijdens de zomermaanden, als de vakantiegangers kwamen, had de kruier de handen meer dan vol. Slechts weinigen die toen al over eigen vervoer konden beschikken terwijl er van openbaar vervoer nog weinig sprake was. Een enkele maal stond bij het station een koetsje klaar om familie af te halen, maar dat bleef een uitzondering.


Tijdens heel drukke dagen huurde Van de Hul een bakfiets en werkte zo verschillende hotels en pensions af tot in de verre omgeving. Dit seizoen moest trouwens de slappe wintertijd goed maken, dan was hij voor een groot deel aangewezen op loopvrachtjes in de directe omgeving van het statton met bovendien nog, in zijn ogen althans, oneerlijke concurrentie. Bij de spoorwegovergang, leunend tegen de hekken, bevond zich vaak een sjofel mannetje, Kees Abo, die voor een grijpstuiver, ook aanbood koffers te dragen. Keesje, in zijn vettig jasje en slobberbroek, was brutaal genoeg, als Van de Hul met een klant het perron af liep, naast deze laatste te schuifelen om hem toe te voegen: "Die vent is veel te duur, ik doe het voor de helft". Soms, als de reiziger op de penning was, nog met succes ook, tot machteloze woede van Van de Hul. Maar dat waren eigenlijk meer speldenprikken; het grotere werk bleef toch alleen voor de officiële man weggelegd. Heel wat jaren heen.

Van de Hul zijn dienstverlenend werk tot ieders tevredenheid verricht. Hoezeer hij gewaardeerd werd, bleek toen hij op 19 mei 1939 zijn zilveren jubileum vierde; zijn chef, de heer P. T. Laponder, sprak in het bijzijn van het gehele personeel, zeer waarderende woorden en bood hem, om van al dat sjouwen wat te kunnen rusten, een fraaie divan met kleed aan. Aan rusten dacht Van de Hul echter nog lang niet pas 1 april 1957, na zesenveertig dienstjaren, zette hij er een streep onder om van een welverdiend pensioen te genieten. Sindsdien ziet men bij ons station geen "witkiel" meer lopen.
H. J. Nijenhuis