Een Edese dorpssmid


Bij het vele dat verdwenen is, behoort ongetwijfeld ook de ouderwetse smederij. Nog duidelijk zie ik de altijd schemerachtige ruimte voor mij, waar je bijkans struikelde over gereedschap en slingerend materiaal. Vlak naast het open vuur, waar boven een overhangende kap, stond het zware aambeeld. Dat smeulend vuurtje werd zo nodig met behulp van een blaasbalg, nieuw leven ingeblazen, waardoor het geheel spookachtig werd verlicht. Zodra het ijzer gloeiend heet bleek, klonken, in een vast ritme, de hamerslagen van de smid, om onder het gespetter van vonken, het maximaal in de vereiste vorm te smeden.


Voor de tweede wereldoorlog telde ons dorp verschillende van deze werkplaatsen. Heeloude smederijen waren die van Oostwaard, voor in de Molenstraat die later het zware smidswerk verruilde voor het fietsenmakers werk en van Geels, op dezelfde plaats waar nu het grootwinkelbedrijf van diens kleinzoon is gevestigd. Verder waren er, om alleen maar in het dorp te blijven, voor aan de vroegere Boslaan, smederij Viets; aan de Torenstraat Dirk Leyenhorst; aan het Maandereind Stap, welk bedrijf werd overgenomen door Kruithof en de Kloet; aan de Waterloweg, later Nieuwe Stationsstraat, de firma Steinmeijer en tenslotte, aan de Molenstraat, even over de spoorlijn, de smid Hendriksen.


Verschillende van deze namen hebben nog een bekende klank, zij het dat hun smederij werd vervangen door een modern constructiebedrijf. Voor een destijds klein dorp als Ede zeker een respectabel aantal smeden, waarbij wij er met opzet nog één vergeten hebben nl. Hendrikus Willemsen,door iedereen Dries genoemd en op wie wij wat nader willen ingaan.
Zijn smederij stond aan de Torenstraat met een groot winkelpand aan de Molenstraat en is nog niet zo lang geleden opgeheven.


Hendrikus Willemsen werd op 5 augustus 1879 geboren als telg uit een aloude Edese familie: zijn vader, Jacobus, deed een merkwaardige stap, die thans vrijwel onmogelijk is. Na de Franse overheersing werd de burgelijke stand waarmede overigens Napoleon begonnen was, op poten gezet. Een ieder die geen achternaam bezat,moest er voor 1830 één aannemen of kon deze gratis, naar eigen goeddunken laten veranderen.
Daar maakte Jacobus, blijkbaar met tevreden met zijn familienaam, ook gebruik van; op 7 mei 1863 werd, op zijn verzoek de naam Cobusse in Willemsen veranderd. De akte werd in duplo opgemaakt en ondertekend door de aanvrager en burgemeester Prins in het gemeentelijk archief bevindt zich een boek vol namen van Edenaren, die van deze gelegenheid gebruik hebben gemaakt.


Dries Willemsen moest als veel jongens in die jaren, al vroeg aan de slag, op twaalfjarige leeftijd begon hij als leerjongen bij de Edese Machinefabriek. Het beviel hem maar , vooral de lange wandeling van het Stompekamperpad, waar zijn ouders woonden, naar de fabriek vlak bij het station en terug, hing hem al gauw de keel uit.
Een half jaar later werd hij voor een paar grijpstuivers, knechtje bij Oostwaard maar daar kwam van zijn streven het smidsvak te leren weinig terecht. Drie kwart van de dag was het kachels poetsen, waardoor hij er veelal uitzag als zwarte Piet en voor de rest boodschappen doen. Amper veertien jaar oud, hield hij het bij Oostwaard voor gezien en trad in dienst bij Geels. Hier kwam hij beter aan zijn trekken; de zwaargebouwde smid bleek weliswaar geen gemakkelijke baas, maar een prima vakman die zijn kennis op leerjongens wist over te brengen.
Er werden lange dagen gemaakt 's morgens zes uur beginnen en dan de klok rond. Bovendien, door het ontbreken van het tegenwoordige hulpmateriaal, voor een tengere jongen als Dries, behoorlijk zwaar werk. Daar de smederij geen eigen watervoorziening bezat, begon elke dag voor hem met het per kruiwagen, een vat water te halen uit de pomp onder aan de Bergstraat. De paar centen werden zuur verdiend, maar er werden vakmensen gekweekt die de handen konden laten wapperen en tegen een stootje bestand waren.
Deze grondige opmerking kwam Dries van pas toen hij drie jaar later knecht werd bij Steinmeijer, om daarna zijn gezellen loopbaan bij Stap af te sluiten.

Het werk van de vroegere smid bestond voor een groot deel uit het maken van hoepels voor wagenwielen, het verzorgen van kachels met de nodige pijpen en paarden beslaan.
Vooral dat laatste, vroeger zo vertrouwde dorpsbeeld, is totaal verdwenen. Voor dit belangrijke onderdeel van het smid vak werden destijds cursussen gegeven aan de veeartsenijschool in Utrecht. Ook Dries gaf zich daarvoor op en behaalde in 1921 het begeerde diploma.
Paarden beslaan vereist de nodige kennis, de ijzers werden nog met de hand gesmeed, terwijl grote en vorm van paard tot paard verschilde. Ook het doel waarvoor een dier werd gebruikt was belangrijk; een rijpaard kan lichtere ijzers
dragen dan een trekpaard, terwijl verharde wegen deze eerder doen slijten dan bospaden.
In het begin van de twintiger jaren besloeg Dries Willemsen gemiddeld twintig paarden per week wat per paard, al naar gelang het dier meer of minder tegenstribbelde, één tot anderhalf uur werk betekende.
Op zekere dag kwam een boer bij Stap, waar Dries toen werkte, met een paard aanzetten, dat meteen fors van zich af begon te slaan.
De baas zag al genoeg en zei: "Neem 'm maar weer mee, daar ' begin ik niet aan". De boer keekwat zuinig en meenden: "Kan je knecht het dan niet doen?" "Ik wil het hem niet opdragen, vraag het Dries zelf maar". Dat deed de man
en hij stelde een goede fooi in het vooruitzicht, wat de doorslag gaf.
Dries bond de benen van het paard 2 aan 2 bijeen en met hulp van de boer werd het dier tegen de grond getrokken. Zo werd het paard liggend beslagen, maar het bleef drommels uitkijken want af en toe sloeg het dier met beide benen tegelijk. Het gevaarlijke karwei lukte echter, waarna Dries vorstelijk met een kwartje werd beloond.
Geen wonder dat toen de boer een paar maanden later met hetzelfde paard terug kwam, hij nu wel onverrichter zake huiswaarts kon gaan; voor een kwartje wilde Dries geen trap riskeren.


In de zomer van 1923 werd in Wageningen het jaarlijks concours hippique gehouden waaraan ook prins Hendrik deelnam. Een van diens paarden verloor een ijzer dat alleen door een gediplomeerde hoefsmid mocht worden aangebracht. Naarstig werd naar zo'n man gezocht; men kreeg het adres van Stap in Ede, stuurde een auto met chauffeur en Dries moest, met
het nodige gereedschap, mee naar de Wageningse berg. Het karwei stelde niet veel voor, maar voor maar voor het eerst van zijn leven zat Dries in een auto en besloeg hij een koninklijk paard.


In de loop der jaren had Dries zoveel vakmanschap opgedaan dat hij op 17 mei 1927 de grote stap waagde en voor eigen rekening ging werken. Vestigingseisen waren nog heel soepel, alleen enig kapitaalonontbeerlijk een daarvoor had hij, nog altijd vrijgezel, wel gespaard. Op een publieke veiling in de Posthoorn kocht hij voor f 1200,- het grote pand Torenstraat hoek Molenstraat met alle machinerien van de smid Leijenhorst, die er mee stopte.
Het woonhuis was zeer oud, men vermoedde al uit 1600 en er werd zelfs beweerd dat dit huis, via "Brouwershoeve" een onderaardse gang naar de toren liep, maar bij latere verbouwingen is hiervan nooit iets gebleken. Verschillende
zakenmensen hadden hier in de loop der jaren hier hun bedrijf uitgeoefend, zoals de bakkers Hendriks en Tulp, de bierbottelaar v. d. Schaft en ten tijde van de verkoop zadelmakerij Karssen.
Voorlopig had Dries Willemsen voor zijn smederij alleen het gedeelte aan de Torenstraat nodig,maar toen hij op 5 november 1930 in het huwelijk trad met Dina Schurink liet hij het voorhuis verbouwen tot winkel en bovenwoning en ging de pasgetrouwden daar wonen. De grote winkel werd volgezet met kachels, fietsen, kinderwagens en babyartikelen.


Heel wat a.s. moeders hebben bij Dries een kinderwagen gekocht en ondertrouwde stelletjes hun haard uitgezocht, altijd gesteund door zijn deskundig advies. In de smederij was altijd volop werk al begon toen al de glans van het oude
smidsvak te tanen door de invoering van modern gereedschap.
Dries Willemsen ging met zijn tijd mee; hij was de eerste in Ede die over een elektrisch lasapparaat beschikte en daardoor grotere opdrachten kon uitvoeren, zoals het maken van stalen dakspanten o.a. voor garage Van Laar.
Het lasappraat werd Dries heilig; van gemeentewege kreeg hij opdracht de zware smeedijzeren hekken voor de alg. begraafplaats aan de Asakker te maken. Het bestek schreef voor; alle verbindingen moesten geklonken worden, maar Dries bracht de opzichter aan het verstand dat klinken een ouderwetse methode was die lang niet op kon tegen het moderne lassen. Bovendien veel voordeliger, maar dat hield hij wijselijk voor zich. De opzichter gaf zich gewonnen mits Dries op dit werk tien jaar garantie gaf. Deze deed zulks grif enterecht want vandaag aande dag verkeren de
hekken in prima staat.


In mei 1967 werd het veertig jarig bestaan van de zaak herdacht met een drukbezochte receptie in hotel "Buitenzorg" waar heel wat oude herinneringen werden opgehaald, rond 1970 kwamen de plannen voor reconstructie van de
Molenstraat op de proppen; ook het pand van Dries werd door de gemeente aangekocht. Het was gedoemd te verdwijnen. Dries Willsemsen heeft, na een werkzaam leven nog een tijjlang als rustend burger geleefd. Hij overleed in
1976.


H. J. Nijenhuis