Bovenstaande
titel geeft een merkwaardig, zij het thans uitgestorven, beroep aan, dat echter
in Ede honderden jaren heeft stand gehouden. Reeds in 1690 werd de eerste nachtwacht-klepperman
aangesteld als hulp voor de scheuter .
In die dagen werd het dorp Ede bestuurd
door de verschillende buurten, oorspronkelijk "markten" genaamd. Deze
buurten werden gevormd door diverse groepen van ingezetenen die dicht bij elkaar
woonden en dus gemeenschappelijke belangen hadden. Zo kende men de Doesburgerbuurt,
die in 1902 verdween, de Maanderbuurt, opgeheven in 1911 en als belangrijkste,
nog altijd bestaande, zij het nu met weinig bevoegdheden, de buurt Ede-Veldhuizen.
De buurt was een zeer belangrijk bestuursapparaat. Op de jaarlijkse buurtspraak,
de bijeenkomst van bestuur, geërfden en belanghebbenden, werden besluiten
genomen, straffen uitgedeeld en bepalingen vastgelegd. Daardoor
bezat de buurtspraak
een wetgevende en de hoofden, buurtmeesters, een uitvoerende macht. Deze laatste
werd overgedragen aan één of meer scheuters, die moesten toezien
op alle mogelijke overtredingen en tevens dienst deden als bode om de nodige
bekendmakingen aan de burgerij lover te brengen .
Ondanks een matige beloning
waren voor het baantje van scheuter altijd genoeg liefhebbers te vinden, dank
zij een slimme vondst van de buurt. Bij een strafbaar feit, door de scheuter
geconstateerd, werd de overtreder een
boete opgelegd en het geraffineerde was
nu dat de scheuter de helft van die geldstraf ontving. Daardoor was men verzekerd
van een grote activiteit door de man, daar alle vergrijpen ook zijn eigen portemonnaie
spekten. Geen wonder dat de scheuters bij de bevolking niet bijzonder populair
waren tuk op de premie staken zij overal hun neus in en waren bijkans dag en nacht
op pad. In het donker voelde de man zich wel wat minder op zijn gemak, niet geheel
ten onrechte het is voorgekomen dat de scheuter, door onbekenden geholpen door
de duisternis een behoorlijk pak slaag opliep, als dank voor zijn bemoeizucht.
Om dat te voorkomen en tevens de werkzaamheden van de scheuter wat te verlichten
werd in genoemd jaar de eerste nachtwacht-klepperman aangesteld. De naam duidt
zijn werkzaamheden al aan: in de nacht moest hij de scheuter op diens ronde
vergezellen en overdag het nodige nieuws bekend maken.
Ditmaal willen we een en
ander vertellen van de laatste, officieel aangestelde man, die in ons dorp dit
merkwaardige beroep heeft uitgeoefend. Oudere mensen zullen zich hem nog goed
herinneren : Gerrit v.d. Meyden, geboren 29 juli 1863. Hij heeft zijn gehele leven
aan de Bunschoterweg gewoond, waar thans bijna alle woningen in handen van de
slopers zijn gevallen. Hij huwde in 1887 met Jenneke van Bruxvoort en juist in
dat zelfde jaar werd hij aangesteld tot nachtwacht als opvolger van Berend
Veenendaal, die, na dit werk tien jaar te hebben gedaan, het welletjes vond. Wel
was toen nog Aart v.d. Blaak als zodanig in functie, want normaal werd er door
twee man gelopen, terwijl ook nog een paar mannen als reserve beschikbaar waren.
De benoeming en wat voor de nachtwacht nog belangrijker was, zijn beloning, gemiddeld
vier gulden per week, was echter wat ingewikkelder geworden. Van oudsher was dit
een aangelegenheid van de buurt geweest, maar na afloop van de Franse overheersing
in 1813 werd het bestuur van de gemeenten omgevormd in de geest zoals wij die
nog steeds kennen. Daardoor was de buurt vrijwel alle macht en bevoegdheid
ontnomen dus stelde deze zich terecht op het standpunt, dat de gemeente, gezien
het algemeen belang, voortaan de nachtwachten maar moest betalen .
De gemeente,
als altijd slecht bij kas, hield echter het been stijf: achtwachten, prima, maar
niet van onze centen . Men had een andere oplossing gevonden er was een commissie
in het leven geroepen, die ten tijde dat v.d. Meyden in dienst trad, als volgt
was samengesteld: notaris Fischer, voorzitter de heer v. Nes, secretaris dokter
Thomassen, penningmeester en de heer Hartelust. Deze commissie stelde de nachtwachts
aan, betaalde hen, maar droeg de lasten over aan de burgerij, uitgaande van het
standpunt dat wie rustig wil slapen, terwijl de nachtwacht over hem en zijn bezittingen waakt,
daar ook maar iets voor over moest hebben .
Van elk gezin werd verwacht dat
zij voor het goede doel naar vermogen zouden bijdragen. Hoewel er natuurlijk altijd
mensen waren die er op een of andere manier onderuit kropen, lukte dat wonderwel.
Eens per maand klopten de nachtwachts aan de deur om het geld, dat varieerde van
vijf cent tot een gulden, op te halen en af te dragen aan dokter Thomassen .
Het
wachtlopen 's avonds om elf uur; de twee nachtwachts kwamen op dat tijdstip bij
de pomp tegenover het huis van dokter Weyer, onder aan de Bergstraat, bij elkaar
en liepen dan beurtelings het linker en rechter gedeelte van het dorp. Dat huis
van dokter Weyer was belangrijk omdat alleen daar, ui t hoofde van diens beroep,
de gehele nacht de straatlantaren bleef branden.
Met de beroemde klep onder
de arm, ging Gaart, zoals iedereen hem noemde, elke avond op stap. Die klep bestond
ui t een eikenhouten plank, waarop in het midden een houten hamer was bevestigd
die, door de plank heen
en weer te draai en, met kracht daar tegen dreunde
hetgeen een dof maar doordringend geluid veroorzaakte. Op deze manier werd elk
heel uur van de nacht aangekondigd te beginnen bij de start als Gaart de klep
liet klinken en uit volle borst riep: "Elf uur heit de klok, de klok heit
elf." De brave burger was gerustgesteld: de nachtwacht liep, hem kon niets
gebeuren
Men kwam er echter achter dat het weliswaar voor de meeste
mensen, voor zover zij althans niet sliepen, een prettig gehoor was zo het nachtelijk
uur te horen aankondigen er anderen, met minder goede bedoelingen, juist profijt
van trokken. Werd er ergens ingebroken of iets uitgehaald dat niet door de beugel
kon, dan gebeurde zoiets steevast ver van de plaats waar de nachtwacht zich op
dat moment bevond, immers de klep had diens positie verraden. Omtrent de eeuw
wisseling werd de klep afgeschaft; nadien gelukte het v.d. Meyden meerdere malen
een dief te betrappen of inbraak te voorkomen.
Overigens liep v.d.
Meyden totaal ongewapend elke nacht door de duistere straten en wegen van Ede.
Maar bang was hij nog niet voor de duivel, hij was sterk als een beer en vertrouwde
geheel op zijn lichaamskracht. Normaal zou Gaart met zijn goedmoedig karakter
geen vlieg kwaad doen, maar als het nodig was, beschikte hij over een paar handen
als bankschroeven die niet gauw loslieten wat zij eenmaal beet hadden. In later
jaren had hij wel steeds een stevige stok bij zich, maar dat was meer gemak bij
het lopen. Hij stapte op een namiddag opgewekt bij zijn buurman, Bart Snitselaar,
de deel op, die daar echter juist het kelderluik had openstaan. In het schemerlicht
had Gaart dat niet zo gauw in de gaten, waardoor hij pardoes de kelder intuimelde
met als gevolg een gebroken been. Hoewel dat nooit helemaal goed is gekomen,
hij trok voortaan met dat been, was het voor hem geen beletsel, zij het dan met
behulp van een stok, zijn werkzaamheden voort te zetten .
Een andere
moeilijkheid was het feit dat de nachtwacht over geen verlichting beschikte om,
in het duister, iemand of iets ongewoons nader te bekijken. Zaklantarens waren
nog onbekend een doosje lucifers was alles. Ook hiervoor had Gaart een simpele
oplossing: als hij iemand niet vertrouwde,nam hij hem mee naar de lantaren voor
het huis van de dokter om zich daar te overtuigen wie hij voor zich had. Het is
gebeurd dat hij in het holst van de nacht iemand aanhield met de vraag: "Waar
kom jij zo laat vandaan en wie ben je eigenlijk? "Beste man, " was het
antwoord, "ik ben de burgemeester. " "Dat kan iedereen wel zeggen,
as tie tenminste niet stom is, meende Gaart, "mer dat molk eerst controleren,
kom mer es mee naar de dokter." Zonder plichtplegingen pakte hij de aangehoudene
in zijn ijzeren greep, nam hem mee naar de lantaren waar hij concludeerde: "Ja
je het geliek man, jii bint burgemeester van Heeckeren, 'k zou nou mer gauw naor huus
gaon, " wat de verblufte burgemeester rap deed .
De meeste nachten
verliepen rustig in het landelijke Ede. Na tien uur kon men, zonder gevaar, in
de straten rustig een kanon afschieten, maar toch moest de nachtwacht af en toe
handelend optreden. Brak er brand uit, hij was gewoonlijk de eerste die dat bemerkte
en de brandweer ging alarmeren een vechtpartij tussen opgeschoten jongens, die
tot sluitingstijd in een café waren blijven hangen, hij joeg hen uit elkaar
of als iemand te diep in het glaasje had gekeken, Gaart bracht hem,zo mogelijk,
naar huis. Ook in Ede werd niet in een borrel getuft; op een nachtelijke rondgang
meende Gaart bij de Geref. Pastorie, een mesthoop op straat te zien liggen. Dat
vond hij schandalig om die zo maar op de weg neer te wippen. Maar na het verstrijken
van ettelijke lucifers bleken het twee veekopers te zijn, die, de armen om elkaar
gestrengeld, daar hun roes uitsliepen. Hij liet de mannen rustig doorpitten, maar
waarschuwde wel de politie die zich over het tweetal ontfermde.
Een andere
keer, juist toen Gaart aan zijn ronde over de Paasberg zou beginnen, zag hij brandende
lantarens de straatweg afkomen. Onder aan de Arnh. straatweg stond destijds nog
een tol en hij besloot daar af te wachten wat er midden in ee nacht toch wel de
berg kwam afzakken. Tot zijn verwondering bleek het een lijkwagen te zijn; de
koetsier sprong van de bok om de tolgaarder er uit te kloppen. Terwijl de man
vast een dubbeltje tolgeld opscharrelde, vertelde hij v .d .Meyden dat hii een
overledene uit het ziekenhuis in Arnhem had moeten ophalen. Tijdens de rust voor
man en paard bij Planken Wambuis had hij wat langer zitten proeven dan de bedoeling
was, waardoor het nog al laat was geworden. Gaart vertrouwde de zaak maar half,
liep eens om de wagen heen, keek bijgelicht door zijn onmisbare lucifers, aan
de achterkant eens naar binnen, maar zag niets. "Hé man, waor hei
ie dan dat liek?" De koetsier kwam aangelopen, keek op ziin beurt en schrok
zich mottig. "Dat mot ik verloren hebben . Op de Langenberg stond de kist
nog op z'n plaats, " stamelde de man. dan kan ie nooit veer weg wezen,meende
Gaart, "la we mer gaon zeuken ." De koetsier keerde de wagen , v.d.
Meyden ging naast hem zitten, waarna het weer bergopwaarts ging.
En jawel,
hoor, precies boven op de Paasberg stond de kist, op de straatweg.
Blijkbaar
was deze bij de laatste helling, voor het bergafwaarts ging, van de wagen gegleden
en "stik overeind blieven staon, " zoals Gaart het later uitdrukte.
Met gezamenlijke inspanning kregen zij de kist weer op de wagen, waarna de koetsier
zijn tocht kon vervolgen .
Een kleine veertig jaar heeft v.d. Meyden, terwijl
de burgers op één oor lagen, trouwen onvermoeid deze nachtdienst
verricht. Trouw zeer zeker, gezegend met een ijzersterk gestel heeft hii in al
die jaren slechts eenmaal drie nachten overgeslagen, toen hij, met verlof van
de commissie op familiebezoek buiten Ede was. Hij had een broer die ijn vrouw
helemaal in Haarlem had gezocht en dus daar trouwde. Natuurlijk moest Gaart de
bruiloft bijwonen, maar het was in die tijd onmogelijk in één dag
heen en weer te gaan .
Nu was het gewoonte dat de nachtwacht bij grote villa's,
de bewoners betaalden daar trouwens extra voor, eén keer om het huis heen
liep voor betere controle. Na die paar dagen afwezigheid stond mevr. Havelaar,
die de villa Sterrenberg bewoonde, bij hem op de stoep met de mededeling dat zij
al drie nachten de nachtwacht had gemist. Dat klopt, mevrouw, zei Gaart, ik bin
d'r, met permissie, een paor daogjes tussen uut geweest, mer hoe weet mevrouw
dat zo krek nou? Elke avond hark ik de tuin rond het huis en nou al drie ochtenden
heb ik geen voetstappen kunnen ontdekken." Waaruit blijkt dat op zijn
beurt ook de nachtwacht gecontroleerd werd.
Evenwel, na de eerste wereldoorlog
begon het politiecorps in de gemeente op peil te komen. In de twintiger jaren
was de uitbreiding zodanig, dat welddra een drieploegendienst kon worden ingevoerd
waardoor nachtwachten overbodig werden en z ii, evenals de commissie van het toneel
verdwenen .
De tweede functie die v.d. Meyden uitoefende en waardoor hij bij
de mensen nog beter bekend werd, was die van klepperman. Tegen een kleine beloning
maakte Gaart alle mogeliike zaken aan de gemeenschap bekend; hij was bij wijze
van spreken een wandelend nieuwsblad. Had iemand een waardevol voorwerp verloren,
dan haastte die zich naar de Bunschoterweg om v.d. Meyden daarvan op de hoogte
te brengen. Even later stapte Gaart, gewapend met zijn koperen bekken het hek
uit om dat bekend te maken. Zo om de honderd meter en op elke straathoek hield
hij halt, gaf drie fikse slagen met de klepel op het bekken en riep met stentorstem:
"Er is verloren een zilvere dameshallozie wie het bij mij kan terugbezorgen
zal er voor beloond worden." Hij sprak de woorden altijd langzaam en plechtig
uit, alleen de laatste vijf, voor hem blijkbaar van minder belang, rafelde hij
in één zucht af. Met moeilijke woorden, waar hij uit principe een
hekel aan had, hetgeen met slechts een paar jaar lagere school, hem niet kwalijk
te nemen was, rekende hij op zijn eigen manier af.
Liet de muziekvereniging
een uitvoering bekend maken, dan schalde zijn stem onverstoorbaar door het dorp:
Hedenavond acht uur konkert van de muziek in konkertzaal Buitenlust. Caféhouder
Geitenbeek, destijds eigenaar van hotel-café "De Roskam",
tapte niet alleen een goed glas bier, maar was op zijn tijd ook nog vishandelaar.
Als de Spakenburger vissers, die vaak in Ede en omgeving hun waar aan de man trachtten
te brengen, niet los konden komen of
om andere redenen geen lust hadden verder
te venten, kocht hij het resterende zoodje en liep op een draf naar v .d .Meyden.
Tot vreugde van vele huisvrouwen, die bij ervaring wisten dat deze vis voor een
koopie weg moest klonk het dan: "Vanmiddag vier uur een partij levendige
bot en vis aan de afslag onder de toren " .Had Gaart de gemeenschap daarvan
in
.kennis gesteld, dan haastte hij zich eveneens naar de toren, deed een blauw
voorschoot voor en fungeerde als afslager. Zo'n klant als Geitenbeek bracht hem
niet alleen dubbel geld op, maar vaak schoot er voor hem ook nog een
gratis
portie vis over.
Zijn beste opdrachtgever was notaris Fischer: alle rogge,
hout en onroerend goed, verkopingen alsmede erfhuizen werden door hem omgeroepen.
Oudere mensen horen het hem nog zeggen: " De notaris Fischer is voornemens
morgenmiddag twee uur te beginnen -met de verkoop van enig meubilair aan de Kreelseweg
bezichtigen 's morgens van tien tot twaalf uur"
.Ook bij dergelijke
verkopingen sneed voor Gaart het mes van twee kanten, want dan was hij 's middags
"aandrager", de man die de te verkopen goederen naar voren bracht en
belangstellenden zo goed mogelijk moest laten zien .
Jarenlang is van de Meyden
ook nog lantarenopsteker geweest; bij het vallen van de schemering liep hij met
een haak langs de gaslantarens om het kraantje open te trekken waardoor het kousje
ging branden, als het tenminste door kwaiongens niet was vernield, Wat kon gebeuren.
Ziin nachtelijke ronde begon dan met het doven van diezelfde lantarens; elf uur
was laat genoeg; een fatsoenlijk mens kwam dan niet meer op straat. Deze baan
werd door de gemeente betaald; later heeft hij daarvoor, zij het een zeer bescheiden,
pensioentje gekregen .
Bovendien deed v .d .Meyden nog allerlei werk in de
tuinen van particulieren; hij was specialist in het snoeien van bomen en heggen.
De prachtig geeleide lindebomen voor het Fischershuis, werden alleen aan zijn
bekwame handen toevertrouwd. Wat een energie en werklust bezat deze man; zelfs
nog op Zondag; dan deed hij dienst als koster op het koor van de grote kerk .
Dat
koor lag wat ongunstig ten opzichte van de preekstoel; daarom werden alleen de
eerste riien plaatsen verhuurd. De rest werd in bezit genomen door de jeugd, die,
begrijpelijk, niet altijd even rustig en aandachtig was.
Maar als Gaart even
zijn handen liep wapperen, was de orde spoedig hersteld, tot genoegen van de dominee
.
Tenslotte was er bij huis voor v .d .Meyden ook nog een en ander te
doen een grote moestuin, waar de nodige groenten verbouwd werden, constant een
paar varkens in het hok en aan de Kreelseweg nog een honderd roe grond voor de
aardappelteelt. Daarbij een groot gezin; hun huwelijk werd gezegend met acht kinderen
waarvan er nog vijf in leven zi jn; alle inmiddels bejaarde mensen, de oudste
is zeven en tachtig, maar nog zo goed bij de tijd dat twee dochters mij al deze
gegevens konden verstrekken. Gegevens over een man met een pracht karakter die
in alle eenvoud en tevredenheid zijn veelzijdig werk verrichtte en een belangrijke
plaats in de dorpsgemeenschap innam .
Op 16 Februari 1937 mocht het
echtpaar hun vijftigjarige echtvereniging herdenken; het werd voor beiden een
onvergetelijke dag. Niet alleen de grote familie maar biikans de hele Bunschoten
hebben dit feest gevierd. Helaas is kort daarop, vier en twintig October van datzelfde
jaar Jenneke v. Bruxvoort overleden. Gerrit v.d. Meyden trok b ii een van de kinderen
in en heeft een goedverzorgde oude dag gehad. Zijn einde kwam tien September 1946;
hij werd begraven zoals hii geleefd had, in alle stilte, zonder toespraken, in
aanwezigheid van zijn familie, een handvol belangstellenden en een troostwoord
van de destijds in Ede staande Ds. K. v.d. Pol. Daarom, nu zoveel jaren later,nog
wat herinnerneringen aan de laatste nachtwacht van Ede.
H. J. Nijenhuis

