Van
de Kuit, de schoorsteenveger was voor de oorlog en ook nog een aantal jaren daarna,
een zeer populaire figuur in ons dorp, die door velen nog niet is vergeten.
Gerrit Christiaan v.d. Kuit werd op 22 januari 1903, als tweede kind van het echtpaar
Johan v .d. Kuit en Christina Hulstein, destijds wonende Klinkenbergerweg 7, geboren.
Het aantal
kinderen zou zich in de loop der jaren tot elf uitbreiden, waarvan
er echter enkele al jong zijn overleden.

Gerrit
ontwikkelde zich, zonder dat zijn ouders ooit van Dik Trom hadden gehoord, al
spoedig tot een "bijzonder kind". Hij liep binnen een jaar, bleek op
school een bij de hand ventje, stak op tienjarig leeftijd al de pruimtabak van
zijn vader achter de kiezen, en haalde allerlei kattekwaad uit, waarbij hij meestal
op handige soms geraffineerde manier zijn gerechte straf wist te ontlopen.
Vader Johan regeerde zijn kinderen met strenge hand en bracht, hen al jong
aan het verstand, dat alleen de zon voor niets opgaat voor het dagelijks brood
en wat erbij kwam, moest hard gewerkt worden. Zelf gaf hij daarbij het voorbeeld;
van beroep zelfstandig metselaar zijnde, bouwde o.m de Chr. Geref. Kerk aan de
Bergstraat, pakte hij in periodes van
slapte alles aan waarmee iets te verdienen
viel. Hij stond bij de burgelijke stand dan ook inschreven als metselaar-vrachtrijder
en beschikte voor deze laatste functie over paard en bestelwagen, waarmede hij
bode diensten en verhuizingen verzorgde. Onder aan de wagen hing, aan kettingen,
een vierkante bak waar moeder v .d. Kuit om haar kroost van de vloer af te
hebben, hert op borg en zij prachtig konden schommelen.
In het begin
van de twintigerjaren zette Johan v.d. Kuit in de Grotestraat zelfs achtereenvolgens
een speelgoedzaak en viswinkel op touw.
Nadat Gerrit de lagere school , had
doorlopen was het vanzelfsprekend ook voor hem werken geblazen; hij drukte de
voetsporen van zijn vader en werd metselaar.
Na de eerste wereldoorlog was
er volop werk, maar dat veranderde na 1929, het begin van de crisisjaren. De werkeloosheid
nam hand over hand toe en toen Gerrit v.d. Kuit op 13 april 1932 in het huwelijk
trad, kon het metselbedrijf geen inkomen voor twee gezinnen op brengen.
De
werkzame natuur die Gerrit van zijn vader had meegekregen verzette zich tegen
een leven van stempelen en leeglopen. Hij begin een schoorsteenvegers bedrijf,
iets nieuws voor Ede, nu was er een specialist op dit terrein. Wel waren er metselaarsbazen
die dit werk er, tussen door deden, maar het gros van de inwoners klom, zo nodig,
zelf het dak op. Het bleek een goede zet, mede door de bescheiden tarieven
die hij berekende, waardoor vele "doe het zelvers " dit werk voortaan aan de
vakman overlieten. Het bedrijf kon met weinig investeringskosten volstaan; Gerrit
tikte voor een krats een onderstel van een rijtuig op de kop, maakte daar een
handwagen van, schafte zich een korte en lange schuifladder aan, deze laatste
van maar liefst zes en vijftig sporten, kocht een paar kogels met de benodigde
touwen en de inventaris was compleet. Er kleefde echter één groot
nadeel aan zijn zaak het was voor een groot deel seizoenarbeid.
De meeste mensen
hadden hem nodig voor het stookseizoen begon, dus zo van augustus tot november.
In die maanden kwam Gerrit handen te kort om iedereen op tijd te helpen, maar
als de winter inviel ,was het gebeurd, waardoor hij genoodzaakt was met metselen,
witten of tegels zetten er wat bij te vangen.
Dat schoorsteenvegen
vereiste niet zoveel vakkennis maar wel klimcapaciteiten en een volslagen gebrek
aan hoogtevrees. Aan deze twee voorwaarden voldeed Gerrit v.d. Kuit meer dan voldoende:
van nature rap en lenig was hij jarenlang een gewaardeerd lid van de gymnastiekvereniging
D.O.K soms meer acrobaat dan turner. Hij maakte salto's aan de lopende band
en liep, bij wijze van spreken, even gemakkelijk op handen als op voeten. Gerrit
heeft het zelfs eens gepresteerd, om een weddenschap.
Van een paar flesjes bier,
een handstand te maken op de omloop van de toren, waar niet alleen lenigheid maar
ook een grote dosis koelbloedigheid voor nodig is.
Deze eigenschappen kwamen
hem in zijn vak uitstekend van pas het kon gebeuren dat zijn toch behoorlijk lange
ladder net niet de goot kon bereiken. Geen man over boord; zo hoog mogelijk gekomen,
gooide hij touwen kogel in de goot
en zwaaide zich dan sierlijk op het dak.
Stonden er toevallig mensen te kijken, hij was graag in de belangtelling, dan
haalde hij met die ladder een ander bravourstukje uit. Als een aap beklom hij
deze dan aan de achterzijde om, zodra
zijn hoofd de goot raakte, zich behendig
om te keren. Op de daken voelde v.d. Kuit zich thuis als een kat, klauterde tegen
schuine dakvlakken op en wandelde over de nok alsof het niets te betekenen had.
Was
de schoorsteen die ,geveegd moest worden bereikt, dan zakte de kogel, waarboven
een bosje sparretakken was gebonden naar beneden en werd geleidelijk het hele
kanaal van roet gezuiverd dat beneden onder de schoorsteenmantel in een zak
werd opgevangen. Overigens waren alle schoorstenen lang niet even gemakkelijk
te vegen, terwijl zich ook onverwachte obstakels konden voor doen.
Bij een
huis aan Laan 1933 bleek in het kanaal een kraaiennest te zitten ,dat niet was
door te stoten. Gerrit nam een resoluut besluit en stak met behulp van een paar
kranten van onderen de schoorsteen in brand. Het veroorzaakte wel de nodige rommel
maar het euvel was verholpen.
Trouwens bij schoorsteenbranden die door het
vele hout stoken vroeger nogal voorkwamen,werd ook vaak de hulp van Gerrit ingeroepen.
Door boven op het dak de schoorsteen met een natte zak af te dekken ,was de brand
door hem vrij snel bedwongen.
Gerrit was beslist in zijn optreden ,bij een
officierswoning aan de Burg Prinslaan moest hij eens twee kanalen vegen. Het geval
werd als gewoonlijk deskundig behandeld en nadat hij zijn spullen had opgeborgen
,melde hij zich bij de keukendeur met de mededeling: het is voor elkaar ,mevrouw.
De kosten zijn twee gulden.
Prima Kuit ,het is nu september ,kom de eerste
oktober maar terug ,want bij betalen alleen in het begin van de maand. Gerrit
keek wat beduusd ,krabde eens achter zijn oor ,greep dan zijn ladder ,zette doe
tegen het dak en nam de zak met roet. Maar man wat ga je nu doen vroeg de vrouw
verbaasd. Nou,als ik geen geld krijg beur,heb ik ook geen recht op dat roet. Hij
klauterde naar boven,stortte de zak leeg in de schoorsteen en verdween,al mopperend
op mensen die niet contant betaalden.
Maar het leuke was ,dat hij bij nader
inzien,ook de bewoners zijn boosheid konden begrijpen en toch een trouwe klant
van hem bleven.
Gerrit van de Kuit was nu eenmaal niet op zijn mondje gevallen
en stond gauw met een antwoord klaar.
Het was al donker toen hij op een avond
met zijn handwagen,de lange ladder meters ver uitstekend ,zonder verlichting wat
voor hem minder zorg was ,op een draf naar de Paasberg af kwam.
Na nog net
de ruiten van Romeyn op de hoek nw Stationsstraat te hebben gemist ,schepte hij
in de bocht naar de Waterloweg met het uitstekende deel van de ladder een politieagent
,die daar in het donker ook nog zonder licht,kwam aanfietsen.
Al of niet geoorloofd
deden de dienders dat veel in die jaren om ,minder opgemerkt gemakkelijker een
overtreding te kunnen constateren . Na weer overeind gekrabbeld ,voegde hij van
de Kuit toe :man waarom kom jij in het donker zo wild de hoek omzetten.
Had
je maar licht op moeten hebben, dan had ik je wel gezien", meende Gerrit
en draafde verder een verblufte agent
achter latend.
Gerrit v.d. Kuit werkte
hard,maar nam toch wel de tijd een babbeltje te maken, of, als er tenminste toehoorders
waren, sterke verhalen te vertellen. Hierin was hij een meester; de mensen zeiden
altijd: "Wat kan die Kuit liegen", maar
het lag eigenlijk anders.
Bij die vertellingen in de trant van baron v. Munchhausen, speelde hijzelf altijd
de hoofdrol. Men kon de onzin met de klompen aanvoelen, maar mocht een onnozele
hals zijn woorden voor waar aannemen, dan had hij de grootste 101. Na afloop van
de oefenavonden van D.O.K. vond hij altijd een enthousiast gehoor waaraan nu nog
in
leven zijnde leden met genoegen terugdenken. Een paar sterke staaltjes willen
wij de lezers niet onthouden, al zullen zij bij oudere Edenaren wel bekend zijn.
"Verleden
week", zo begon Gerit, "kwam ik van Wageningen fietsen en zag achter
me een zware bui opkomen. Ik had geen regenjas bij me, dus dacht, een trapje erbij
Gerrit, maar net voor Bennekom haalde de bui me in en begon het te
regenen,dus
ging ik nog een beetje harder spurten en toen kreeg ik het juiste tempo te pakken.
Tot huis toe reed ik precies gelijk op met de bui, mijn achterhekje werd nog nat,
maar zelf bleef ik, evenals het voorwiel droog .
Of over de oogst van
zijn groententuin: Verleden jaar had ik me toch boerenkoolstruiken, ongelooflijk;
je zou ze gezien
moeten hebben. De hele buurt heeft er die winter van meegegeten,
want zo ben ik. Toen in het voorjaar de stronken, je kon beter zeggen, knotwilgen
van het land moesten, heb ik er planken van laten zagen en daarvan een schuur
getimmerd wat een aardig bedrag aan hout uitspaarde.
Nog zo'n sterk verhaal."Laatst
moest ik voor zaken naar Utrecht en ging, in m'n goeie goed, met de trein. Op
de terugweg, even voorbij Driebergen begon de wagon waar ik in zat danig te schommelen
en te denderen. Ik keek eens uit het
raampje en verrekt, de trein liep naast
de rails. Op een draf liep ik naar voren om de machinist te waarschuwen. De man
stopte en zei: "Ik had niets gemerkt, blij dat je me gewaarschuwd heb, dat
was nooit goed gegaan.". Zelf heb ik
toen nog even geholpen om de trein
weer op de rails te zetten en zo kwamen we toch veilig weer in Ede."
Een
paar jaar na de oorlog was Johan,de oudste zoon van Gerrit, oud genoeg om vader
te helpen en
H. J. Nijenhuis

