
Men kan het zich thans moeilijk voorstellen, maar eens klopte in de tegenwoordige Notaris Fischerstraat, destijds nog Grotestraat, het hart van ons dorp. Daar stond het eerste gemeentehuis, dat in 1864 feestelijk in gebruik
was genomen maar reeds in 1899 werd vervangen door een ruimer en fraaier gebouw, dat evenwel op 19 februari 1942 door brand werd verwoest. Tegenover het gemeentehuis stond het aloude logement "De Posthoorn" met het
grote koetshuis, de kegelbaan en het park waar de muziektent een plaatsje had; hier speelde zich voor een groot deel het ontspanningsleven van Ede af.
| |
|
|
"De Posthoorn" was een gebouw met een geschiedenis; al vanaf 1700 vergaderden hier de ambtsjonkers. Bovendien was het hotel in de verre omtrek bekend door de vele publieke verkopingen die hier gehouden werden. Helaas is "De Posthoorn" in januari 1941 in vlammen opgegaan en niet weer uit de as herrezen; nu staat er, evenals op de plaats van het vroegere gemeentehuis, een flatgebouw. Dan was er naast "De Posthoorn" de wekelijkse markt,
officieel sinds 1911, hoewel het terrein al veel langer als zodanig dienst deed, totdat men in 1927 naar het midden van ons dorp verhuisde. |
Bekende zaken waren hier gevestigd, zoals de kruidenierswinkel van Van Silfhout, of om een woord uit die tijd te gebruiken "handel in comestibles en koloniale waren"; twee bakkers, precies tegenover elkaar, Werner en Hansman; op de ene hoek manufacturenzaak "De Faam" en aan het andere eind van de straat, zij het nog in bescheiden omvang, kledingmagazijn v .d. Weerd, met daartegenover alweer een bakker, de alom bekende Janus Koops. En niet te vergeten het fraaie "Fischershuis", waar het notariaat was gevestigd, en dat er gelukkig nog altijd staat.
| |
|
|
Een tweede centraal punt vormde de toren waar jarenlang de eier- en botermarkt werd gehouden, tevens de plaats voor de visafslag. Ook hier waren bekende zaken, onder andere die van de gebroeders Van Omme, de supermarkt van die tijd. Daar verkocht men niet alleen kruidenierswaren, maar ook schroeven, draadnagels, petroleum, gaskousjes, schildersbenodigdheden,
huishoudelijke artikelen en noem maar op. |
Deze vooruitstrevende zakenmensen brandden in hun tuin onder de zware kastanjebomen, zelf koffie,
waardoor de hele buurt van de scherpe lucht kon mee genieten. Daarnaast was een klein handwerkwinkeltje, "Rian", en op de hoek van de Torenstraat zat de wagenmaker Van Dronkelaar, waar het zo heerlijk naar eiken krullen
kon ruiken en die voor twee cent een paar prima kleppers maakte. De andere buurman van de gebroeders Van Omme was Giesbert Hey, de bekende schoenmaker. Verder was er nog kantoor- en boekhandel Menger, met
daartegenover slager Blokker en iets verderop het Volkskoffiehuis.
Als kind moest ik in deze zaken vaak boodschappen doen, het was dicht bij huis, maar de winkels interesseerden mij minder. Nee, ik moest steevast langs de aloude toren, waar je op gemene rukwinden bedacht moest zijn, die
altijd mijn volle belangstelling had. Daar waren wat verhalen over in omloop; op de uitstekende gedeelten hadden vroeger prachtige heiligenbeelden gestaan, die tijdens de beeldenstorm verwoest werden. Er moest een onderaardse tunnel lopen vanaf "Brouwershoeve", om, in tijden van gevaar, een veilige schuilplaats in de kerk te kunnen vinden. Boven bij de galmgaten wemelde het van kerkuilen, vleermuizen, kraaien en duiven, al kreeg je
gewoonlijk alleen de laatste twee soorten te zien. Soms, als de torendeur openstond, glipten wij jongens even naar binnen, tuurden in het schemer omhoog om dan even de lange touwen aan te raken waarmee de klokken in
beweging werden gebracht. Een enkele maal als de klokkenluider bezig was en een goede bui had, mochten wij helpen trekken, om na afloop daarvan nog een beetje rond te zwieren.
Die klokken hadden een respectabele leeftijd; in 1635 werden kerk en toren door blikseminslag getroffen en brandden geheel uit; door de verzengende hitte smolten tevens de klokken. De overblijfselen werden naar de klokkengieter Peter van Trier in Amersfoort gebracht, om opnieuw te worden gegoten. De opbouw vergde de nodige tijd: pas na vijfendertig jaar waren kerk en toren weer zo goed mogelijk in de oude staat teruggebracht. Er bevonden
zich nu één zware,en twee lichte klokken in de toren, die eeuwenlang lief en leed aan de Edese bevolking bekend maakten. Zij riepen op zondagen en voor doordeweekse diensten de gelovigen naar de kerk, kondigden dood en
begrafenis aan, terwijl sombere klanken brand, oorlog of andere rampen betekenden. Maar er klonken ook blijde tonen: bij de geboorte van een koningskind, op nationale feestdagen of als oproep voor de jaarlijkse buurtspraak.
Om die klokken al dat nieuws te laten brengen waren door de tijden heen mensen nodig. Vroeger werd het luiden van de klokken door de schoolmeester verricht, die deze baan, evenals de koster en de begrafenisondernemer, automatisch kreeg toegewezen. Hij werd daarvoor overigens door de kerkmeesters maar zeer matig betaald; door de tijden heen hebben trouwens kosters en klokkenluiders geklaagd over hun slechte beloning. Bovendien
vereiste dat luiden de nodige inspanning en routine; het touw werd zo hoog mogelijk vastgepakt, dan zover naar beneden getrokken dat de man bijkans met zijn neus de grond raakte, om het vervolgens weer te laten vieren. Soms
een kwartier of langer, zonder de juiste cadans te verliezen die nodig was om de klepel regelmatig de klok te laten raken. De grote klok was onmogelijk door één man te bedienen, daar kwamen er minstens twee aan te pas. Het
nare was dat de klokkenluider van zijn toch al karige verdiensten zelf voor eventuele hulp en de daaraan verbonden kosten moest zorg dragen. Daarom had men bepaald dat wanneer de familie wenste een overledene onder gelui
van alle drie de klokken te laten begraven, deze de klokkenluider een extraatje moest toestoppen. In het begin van deze eeuw werden kogellagers aangebracht, waardoor het werk een stuk gemakkelijker werd.
| |
|
|
Een heel bekende, tevens laatste, klokkenluider van Ede was de fietsenmaker Albert Hazeleger, in de volksmond "Aolbert" genaamd, die was geboren op 29 januari 1864. Oudere mensen zullen zich deze kwieke, olijke man, vol
humor en grappen, vrij klein van postuur, met een borstelig snorretje, nog wel herinneren. |
Op twaalfjarige leeftijd, na wat bescheiden kennis van lezen, schrijven en rekenen te hebben opgedaan, deed Hazeleger als metselaarsleerling zijn intrede in de maatschappij. Jarenlang was hij in dienst bij de toen
zo bekende aannemer Gaasbeek, wiens huis met grote voortuin onder aan de Arnhemsestraatweg stond (later pension Henda, maar nu allang gesloopt).
Daar deed hij zijn eerste levenswijsheid op, want ook in die tijd waren bouwvakkers uitgeslapen mensen. Zo was een van de eerste karweien die hij meemaakte de bouw van een villa voor de heer Cavaljé, ongeveer op de
tegenwoordige hoek Brouwerstraat -Telefoonweg; dit fraaie huis is inmiddels ook al weer, jaren terug, met de grond gelijk gemaakt. Die Cavaljé was een rijk geworden zakenman uit Amsterdam, die na een druk leven zijn rust in
het landelijke Ede had gezocht. Deze man was niet alleen erg rijk, maar ook een werkelijk christen en een sociaal bewogen mens, die, zoals elders verteld, vooral gereformeerde kringen financieel behoorlijk steunde. Een of tweemaal per week kwam hij kijken naar de vorderingen van zijn huis. Als jongste diende Aolbert als uitkijkpost; hij moest voortdurend opletten om, zodra van verre de opdrachtgever in aantocht was, de anderen een seintje te
geven. De bouwvakkers trokken dan een ernstig gezicht om daarna plechtig een psalm in te zetten. De heer Cavaljé, die hun gezang al op enige afstand kon horen, vond dat prachtig; zijn huis werd door godvrezende mensen
gebouwd. Hij toonde telkens zijn waardering door elke volwassene een kwartje en aan leerjongens een dubbeltje te overhandigen, hetgeen allen met een beleefd tikje aan hun pet in ontvangst namen. Dat het arbeidstempo op het ritme van de langzame, hele noten danig zakte deed minder ter zake ,later, met een vrolijk "houdt er de moed maar in", werd dat wel weer goedgemaakt.
Lange tijd heeft Hazeleger de kost als metselaar verdiend, maar naarmate hij ouder werd drongen ook de nadelen van dit vak tot hem door. Vooral de winterdag met regen en kou, of nog erger, wekenlang vorst, zonder een cent
inkomsten, deden hem besluiten naar wat anders om te zien. De fiets, het vervoermiddel van de toekomst, trok hem aan: hij besloot zijn geluk als rijwielreparateur te beproeven. In 1910 slaagde hij erin een verlopen werkplaatsje over te nemen naast slagerij Van Hunnik op de hoek van de vroegere markt, waar echter geen woonruimte aanwezig bleek.
|
 |
Hij was inmiddels getrouwd met Grietje van Holland en het jonge echtpaar had het laatste huis aan de vroegere Hofstraat, ook wel Papenhof genoemd, betrokken. Daar bleef hij wonen, ook toen wat later de werkplaats verhuisde naar een betere ruimte bij het Volkskoffiehuis. Toen echter omstreeks 1920 slager Blokker dit pand kocht om er een galanterie- en speelgoedzaak te vestigen, moest Hazeleger weer naar wat anders omzien, al zette de slager hem niet direct op de schopstoel. Hij kocht toen een pand aan de Bospoortstraat, ruim genoeg voor een winkel, werkplaats en woonruimte en verhuisde daarheen, zodat aan het meerdere malen per dag naar zijn arbeidsterrein gaan, een einde
kwam.
Aanvankelijk liep de rijwielzaak nog niet zo hard: er was op dit terrein al de nodige concurrentie, terwijl de inmiddels ingetreden mobilisatiejaren ook niet bevorderlijk waren voor een vlotte handel. Omstreeks 1916 werd hem
het baantje van klokkenluider aangeboden. Tot dusverre had de laatste koster der Nederlands Hervormde Kerk van voor 1945, T. Droffelaar, dit werk gedaan. Maar deze was intussen tot marktmeester benoemd en assistent bij de landmeter geworden, zodat het klokluiden, althans door de week, bezwaarlijk voor hem werd. Was het aanvankelijk de bijverdienste die Hazeleger aantrok, na enige jaren raakte hij zo aan zijn klokken gehecht, dat hij, ook toen het financieel niet meer nodig was, er geen moment aan dacht zijn baan als klokkenluider op te geven. Vanaf genoemd jaar kon men Hazeleger minstens tweemaal per dag, de grote sleutels goed zichtbaar in de hand, naar de toren zien gaan; tegen twaalf uur, als hij bij de eerste slag van het uurwerk met de kleine klok het middaguur aankondigde, en 's avonds om negen uur om de papklok te laten horen. Dit laatste was een oeroud gebruik, het gaf de dorpelingen te kennen: "Schep de pap maar op en dan naar bed." Daarbij kwam het luiden voor begrafenissen; dat gebeurde gewoonlijk met twee klokken en dan moest zijn zoon Jan of neef v.d. Bospoort bijspringen. Het was normaal dat met het luiden van de klokken werd begonnen zodra de stoet de kom van het dorp bereikte of, als de overledene daarbinnen had gewoond, bij vertrek van het sterfhuis. Nu was het voor de klokkenluider in het eerste geval moeilijk het juiste moment van aanvang te bepalen, al kreeg hij er op den duur wel de nodige intuïtie voor.
Een oude dorpsgewoonte bestond hierin, dat als iemand van buitenaf werd begraven, vier buren van de overledene na het vertrek een kortere weg namen, stevig doorstapten om eerder de toren te bereiken en Hazeleger zo konden waarschuwen dat de stoet in aantocht was. De toren werd gepasseerd, waar de vier zich aansloten, daarna kwam men voorbij het gemeentehuis, waarna het richting kerkhof ging. Deze route was bedoeld als laatste afscheid van kerk en gemeente; later verviel dit gebruik en werd gewoonlijk de kortste weg naar de begraafplaats aan de Asakkers genomen. Dit luiden bij een begrafenis werd maar zelden achterwege gelaten: als een enkele maal iemand in alle stilte naar het kerkhof gebracht werd, luidde het algemene oordeel: "Hij is begraven als een hond." In vroeger jaren, een heel enkele maal komt het nog voor, werd vijf minuten de kleine klok geluid daags nadat iemand gestorven
was; men noemde dat "overluiden". Klokslag elf uur 's morgens werd op deze manier de bevolking in kennis gesteld van het feit dat éên uit haar midden het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Dit bracht mensen die daar niet zo mee op de hoogte waren nog wel eens in de war; in de mening dat de twaalf-uurs-klok werd geluid, staakten zij het werk. Thuisgekomen, en de middagpot bleek nog niet op tafel te staan, werden zij al gauw uit de droom geholpen, maar als de baas er niet op lette, was zo'n uur mooi meegenomen. Hazeleger werd trots op zijn baan als klokkenluider; dank zij een ijzersterk gestel heeft hij het werk maar zelden aan anderen overgelaten.
Na het luiden sloot hij secuur de torendeur en keerde terug naar zijn rijwielzaak. Alleen als op maandagmorgen iemand "overluid" moest worden, glipte hij na afloop graag even de consistoriekamer van de kerk binnen om een
babbeltje" te maken met ouderling Maas Veldhuizen, die daar de collectes van de afgelopen zondag zat te tellen. "Hoe is 't, Maos, valt 't nog een bietje mee," informeerde hij belangstellend. "Man, praot me d'r niet van," was het
sombere antwoord, "niks as hele en halve centen, geen dubbeltje d'r bie."
"Dan bin je zellef ok nie an de royale kant geweest," constateerde Aolbert nuchter. Elke zin die Veldhuizen liet horen begon altijd met dezelfde woorden, waar Hazeleger steeds groot plezier over had en soms moest hij oppassen om ze niet over te nemen. Deze ouderling zat ook in de zogenaamde hoorcommissie, die erop uittrok om dominees in andere plaatsen te gaan beluisteren voor een eventueel beroep. Na zo'n bezoek vroeg Hazeleger dan:
"Wat doch je, Maos, zou 't iets wezen, die dominee waorje gisteren was?"
"Man, praot me d'r niet van, met anderhalf uur stingen we alweer buuten," waarmee Maos bedoelde dat een goeie dominee minstens twee uur aan moest houden. Of, als Hazeleger uitweidde over de gewoonten en eigenaardigheden van sommige mensen: "Man, praot me d'r niet van, je kiekt ze wel veur de kop, maor niet erin." Ja, die Hazeleger had zo zijn eigen manier om met mensen om te gaan.
In de Driehoek woonde klompenmaker Van Holland, bij wie hij altijd zijn klompen bestelde. Hazeleger woonde nog in de Hofstraat en Van Holland behoefde slechts zijn achtertuin uit te lopen om bij hem te komen. Op een
avond kreeg het gezin Van Holland, man, vrouwen twee opgeschoten kinderen, bezoek van twee ouderlingen, in die dagen voor veel eenvoudige mensen een bezoeking. Zoiets draaide altijd uit op een eenzijdig gesprek; alleen de
broeders hadden de wijsheid in pacht en spuiden deze in de vorm van vermaningen en lastige vragen. Van Holland had er al gauw genoeg van en kneep er tussen uit met het smoesje dat hij nog een paar klompen bij Hazeleger moest brengen, die had de man de volgende morgen beslist nodig.
Even later had deze zijn klompen waarbij Van Holland vertelde waarom hij die juist nu bracht. "Kom 't e, in jong, de vrouw het de koffie bruun, drink een kommetje mee, dan raok je ze vanzelf kwiet." Het leek Van Holland
geen slecht idee; een half uurtje zaten zij over koetjes en kalfjes te babbelen, toen vrouw Van Holland aan kwam zetten. ,,'k Mot toch es kieken waar vaoders blieft, ikke alenig met die twee kerels is ok niks," luchtte zij haar
hart. Ook zij maakte geen haast, kreeg haar kopje koffie, tot de kinderen aankwamen met de mededeling: "Ze binnen vort, ze wieren chagrijnig en zeien dat ze de tied wel beter kosten gebruuken." Even later stapte de familie opgelucht naar huis: Hazeleger had hen met zijn koffie van een lastig bezoek afgeholpen.
De werkplaats aan de Bospoortstraat werd al gauw de zoete inval; doe-het- zelvers stonden daar aan hun fiets te prutsen onder het deskundige oog van Hazeleger, anderen kwamen zo maar een praatje maken. De gezelligheid
bereikte haar hoogtepunt als Aolbert zijn kostbaarste bezit, een oude grammofoon, voor de dag haalde en de succesnummers van die tijd draaide, zoals "Mijn neef uit Canada", "Heb medelijden Jet" of zijn lievelingsdeuntje ;,Al
ben ik maar portier, 'k doe mijn werk met plezier". Heel wat onderwerpen zijn daar op hoog niveau behandeld; dorpsnieuwtjes, de politiek of het bewerken van de tuin. Het meeste hoorde Aolbert aan zonder zich direct in het gesprek te mengen: "Ze zuuken 't maor uut," was zijn stopwoord. Maar het laatste onderwerp had zijn volle belangstelling, want tuinieren vormde zijn grootste hobby. Hij kon foxia's kweken als geen ander, vakmensen
waren er jaloers op; ook zijn groentetuin mocht er zijn, altijd prima verzorgd en met een goede oogst. In een zomer schoot één van zijn aardappelpollen driemaal zo hard omhoog als de rest. Hij begreep er niets van maar haalde
struiken er vlak omheen weg om de reus meer ruimte te geven. De struik bereikte een hoogte van meer dan twee meter; als curiositeit liet hij zich met vrouw onder het aardappellof fotograferen. Helaas viel de opbrengst
later zwaar tegen; in plaats van het verwachte halve mud aardappelen, bleek deze zo enorm gegroeide struik slechts wat kriel op te leveren. Gesteund door dit bewijsbare wonder, begon Aolbert geleidelijk nog sterkere verhalen
over zijn tuin af te steken. "Verlejen jaor ha'k boerenkool, zukke knoesters," daarbij zijn armen zo wijd mogelijk uitstrekkend, "nog nooit zo bij iemand gezien. Tegen heug en meug hebben we boerenmoes gegeten en in
het voorjaar, toen de stronken van 't land mosten, waoren die zo dik, da'k ze naor Willem Heyink, de houtzager, heb gebrocht om d'r latten van te zaogen, altijd goed voor hekjes." Aolbert vertelde graag, maar liet zijn fantasie de vrije loop. Eens ging hij op bezoek bij een goede kennis, Willem de Geit, die in het ziekenhuis lag en aan zijn ogen moest worden geholpen.
Thuisgekomen bracht hij verslag uit aan Grietje: "Je snapt het niet, de dokters hadden z'n ogen d'r uutgehaold en op een schut telt je gelegd. Willem zag ze liggen, ok een naor gezicht veur 'em." Prachtige spookverhalen kon
hij vertellen over Kernheim, kasteel Rozendaal en meer van die oude buitenplaatsen. Ook bij gewone mensen kwamen geheimzinnige zaken voor, zoals bij de boer van de Proosdijhof, waar elke nacht de appels op de rekken heen en weer rolden. Maar ondanks al deze spannende verhalen was Aolbert niet zo heldhaftig als men zou denken. 's Avonds laat ging hij nooit alleen de straat op en het dient gezegd, een beetje kleinzerig was hij ook. Op een
zondagmorgen werd hij eens wakker door een hevige kiespijn die allengs verergerde. Als een ander zoiets had zou hij smakelijk gelachen hebben en zeggen ,,'k veul d'r niks van," maar nu lag de zaak anders. Hij kermde alsmaar en werd zo chagerijnig, dat Griet na het ontbijt zei: "Jij bint zo sikkeneurig, gao maor een eind lopen, dan bin'k je kwiet." Hazeleger, erg met zichzelf begaan, nam de raad aan en slofte weg. Op de Oude Arnhemseweg kwam uit tegenovergestelde richting dokter Van Leeuwen aanfietsen die een patiënt had bezocht. Hij remde af en informeerde: "Zo ken ik je niet Hazeleger, je bent altijd zo opgeruimd en nu een gezicht als een oorworm.
Zit je iets dwars?, " "Dat zal dan wel niet," steunde Aolbert, "ik verrek van de kiespien." "Laat eens kijken," vroeg de dokter en grabbelde meteen in zijn binnenzak. Hazeleger sperde zijn mond wijd open en voor hij het besefte zat de tang om zijn kies; wat wrikken en trekken en daar was de boosdoener. Aolbert dacht dat hij door de grond ging van de pijn. Woest keek hij de dokter aan, maar die lachte en zei: "Altijd goed als je gereedschap bij je hebt, fietsenmakertje, het beste." Geleidelijk aan zakte de pijn zodat wat later Hazeleger opgewekt naar huis stapte met de mededeling: ,,'k Bin maor effe naar de dokter geweest om die kies te laoten trekken, 't was niet te harden," waarbij hij uitbundige bewondering van zijn vrouw kreeg voor zoveel courage.
| |
|
|
Al aan zijn levensavond gekomen moest Hazeleger nog een donkere dag meemaken. Op last van de bezetters werden op 18 januari 1943 de aloude klokken, zijn klokken, uit de toren gehaald en naar onbekende bestemming gebracht. In Ede en zoveel andere plaatsen konden geen klokken meer geluid worden. |
Albert Hazeleger heeft het niet lang overleefd; zijn gezondheid liet het laatste jaar al te wensen over: hij overleed op 24 november 1943, negenenzeventig jaar oud, en werd op dinsdag 28 november begraven. Op
initiatief van de heer Boeve, destijds begrafenisondernemer, werden onmiddellijk pogingen in het werk gesteld om de man die voor zovelen de laatste gang had aangekondigd, toch onder het traditionele gelui te kunnen begraven. Indertijd had de NCRV een programma gemaakt onder de titel "De klokken luiden", waaraan ook Hazeleger met de Edese klokken had meegewerkt. Daar bestond nog een grammofoonplaat van. Door de firma Waanders, een radiodistributiebedrijf dat later door de PTT werd overgenomen, werden versterkers bij de galmgaten aangebracht. De plaat werd gedraaid en even duidelijk als voordien klonken de tonen in de wijde omgeving. Vanaf het sterfuuis aan de Bospoortstraat reed de stoet langs de toren met zijn beierende imitatieklokken naar de markt. Daar werd gekeerd, op weg naar het kerkhof; voor de laatste maal passeerde Albert Hazeleger zijn vertrouwde plekje. Ondanks het stormachtige novemberweer stonden talrijke Edenaren langs de weg om getuige te zijn van zijn laatste tocht. Aan de groeve stonden behalve de familie vele buren en vrienden om de laatste eer te bewijzen; de baar was bedekt met een enorme krans in de vorm van een klok: de laatste klokkenluider van Ede was heengegaan.
De geroofde klokken zijn na de bevrijding nooit meer boven water gekomen, maar zes jaar later, in 1949, bevonden zich, dank zij gezamenlijke inspanning van het gemeentebestuur en de bevolking, weer nieuwe klokken in de
toren. Maar de klokkenluider is overbodig geworden; een druk op de knop is voldoende.
H.
J. Nijenhuis

