Edese brievenbesteller


Bent u ook nog altijd een tikkeltje nieuwsgierig of de brievenbesteller gewoonlijk kortweg de post genoemd, op zijn ronde ook iets voor U in petto heeft? Helaas is voor vele mensen het gezellige geluid van de dichtkleppende brievenbus, gepaard gaande met her neerploffen van het bestelde, verdwenen. Die moeten nu naar de weg sloffen om daar in het, door de P.T.T. onder het motto: "tijd is geld", geplaatste bakje te kijken, waardoor de besteller niet eens meer op de stoep komt. Maar al veel langer is het werkelijke contact tussen postbode en burger verloren ,gegaan, waarmede natuurlijk niets ten nadele van de huidige P.T.T. mensen gezegd is: integendeel, ook zij zijn nog altijd even opgewekt en behulpzaam.
Maar een halve eeuw en nog langer geleden was de postbode, vooral op het platteland, waar hij, mede door het ontbreken van brievenbussen, zijn bestelling altijd binnenshuis afleverde, een belangrijk persoon. Hij was eigenlijk een wandelend Postkantoor betaalde postwissels uit, verkocht postzegels, nam belastinggeld of andere betalingen mee, hielp bij het invullen van officiële papieren, kortom hij was een steunpilaar voor eenvoudige mensen dien soms amper lezen of schrijven konden .

.
Hoe lang is er eigenlijk een Postkantoor in Ede? Daarvoor gaan we eerst terug tot 1850, toen door het destijds bestaande parlement de bekende "Postwet" werd aangenomen, waarbij uitsluitend de staat het monopolie voor postbezorging in handen nam, waardoor tevens brievenbestellers tot rijksambtenaren werden bevorderd. Voordien werden natuurlijk ook al lang brieven en pakjes verzonden, maar daarvoor werden, al naar omstandigheden , koeriers , beurtschippers, postkoetsen of vrachtwagens, al of niet met een door hogerhand verstrekte vergunning, ingeschakeld. Ook waren mensen aangesteld die simpelweg per voet de verschillende post van de ene naar de andere plaats brachten.

Zo had het gemeentebestuur van Ede, dat vanzelfsprekend belang had bij het tijdig ontvangen van belangrijke stukken, reeds in 1818 zo'n z.g. "voetbode" in dienst, die tweemaal per week naar Arnhem wandelde om daar brieven te brengen en de correspondentie, bestemd voor de gemeente mee terug te nemen. Bovendien tippelde een ander voor datzelfde doel viermaal in de week naar Wageningen. Zij ontvingen daarvoor van het Rijk 50,- per jaar waar de gemeente nog eens f 30, --bij deed. Deze voetbode mocht tevens, tegen een tarief van vijf cent, brieven of kleine pakjes van particulieren meenemen. In 1834 kwam aan de werkzaamheden van de bodes een einde, in dat jaar werd een distributiekantoor der Posterijen in Ede gevestigd.


Door genoemde postwet van 1850 werd het aantal post- en hulpkantoren door het gehele land sterk uitgebreid, waarvan ook Ede profiteerde. Als eerste postmeester, ook wel brievengaarder genoemd, werd aangesteld Theodorus Prins, van beroep wijnkoper, een enigszins vreemd aandoende combinatie.
Deze Prins, die tevens van 1837 tot 1866 administrateur van de Ned. Herv. kerk was, woonde schuin tegenover logement "De Posthoorn", thans Not. Fischerstraat 14. Van ziin behoorliik grote woning richtte hij een klein kamertje als werkruimte in en het eerste officiële postkantoor van Ede was een feit.

Na het overlijden van Th. Prins werd als beheerder aangesteld de heer A. v. d .Craats, deze woonde in de Molenstraat; dus verhuisde het postkantoor daarheen .
Intussen was in 1852 de postzegel als betaling der portokosten ingevoerd, maar nog niet verplicht gesteld. Men was nl altijd van het standpunt uitgegaan dat de geadresseerde het meeste belang had bij een brief of pakje en daarom ook de verschuldigde vrachtkosten moest betalen. De mensen noemden deze nieuwe bepaling "vooruit betalen" en de weerstand tegen postzegels plakken, heeft lang stand gehouden. Pas in 1870 werd het gebruik verplicht gesteld, voor niet of onvoldoende gefrankeerde brieven moest voortaan extra betaald worden, de z.g. "strafport" was geboren.


In 1890 begon het ernst te worden in Ede, de villa "Rozenhage" aan de Torenstraat,bewoond door de fam. De Vries-Robbé, kwam leeg, werd door het Rijk gehuurd en als eerste postkantoor in Ede als zodanig ingericht. De heer
v.d. Craats werd per ambtelijke brief van 30 mei 1890 als brievengoorder eervol ontslog verleend. Er werd meer personeel aangenomen met aan het hoofd de heer A. Goudriaan, de eerste postdirecteur in Ede dus. Veel later is dit gebouw, inmiddels ten behoeve van het marktplein, gesloopt, door de gemeente aangekocht en hebben de diensten van Sociale zaken en G. G. D . en er onderdak gevonden .
De grote vlucht kwam in 1906, toen een geheel nieuw gebouw oon de Arnh. straatweg werd betrokken, dat, zij het na een aantal verbouwingen, nog steeds als zodanig dienst doet.

 


Aanvankelijk woonde de directeur ook in het postkantoor, op oude foto's is nog duidelijk de serre van het woonhuis te zien. De heer Ramond, directeur van 1931 tot 1936, was de eerste die daar geen gebruik van wilde maken, hij betrok het pand Arnh. straatweg 53, waarna de verschillende woonvertrekken aan het kontoor werden toegevoegd, tot 1928 stond boven op dit nieuwe gebouw een soort torentje van waaruit de telefoondraden het dorp inliepen. Telefoon en telegraaf waren in opkomst, maar de benodigde verbindingen tot dat jaar bovengronds. Opnieuw geleidelijke uitbreiding van
personeel; bijgaande foto uit 1922, ter gelegenheid van het afscheid van directeur J. Imminek toont de voltallige bezetting van het postkantoor.
Rondom deze directeur zijn alle beambten, de dames, die voor de telefoonverbindingen moesten zorgen, met de bestellers verenigd. Al een hele groep postbodes voor het toenmalige Ede, maar men moet bedenken dat de wijken
uitgestrekt, het aantal bestellingen veel talrijker en bijkomende werkzaamheden veel meer tiid in beslag namen dan nu het geval is. Zelfs op zondag kreeg men, desgewenst, de post thuis bezorgd, terwijl bovendien het kantoor op die dag enkele uren geopend was .
Met een tikje weemoed kijken we bij deze foto naar der vroeger zo vertrouwde gezichten; enkele van de jongeren, nu inmiddels rond de tachtig, zijn nog in leven en genieten van een welverdiend pensioen.


Geheel links staat de destijds zeer bekende Evert v.d. Craats, een harde werker, maar erg op de penning. Een mens wil nou eenmaal wat in zijn mond hebben; de één rookt, een ander pruimt, terwijl in deze tijd ook kauwgom in aanmerking komt, maar v.d. Craats liep de hele dag met een kiezelsteentje achter de kiezen, wel de goedkoopste oplossing.
Om nog wat extra's te vangen heeft hij na zijn pensionering nog jaren als hulpbesteller dienst gedaan en geen karwei was hem te zwaar. Tweemaal per dag moest de te verzenden post in een soort handwagen naar het station gebracht en de aangekomen weer meegenomen worden.

Op een wintermorgen was het eens zo spiegelglad dat de twee aangewezen bestellers niet op de been konden blijven. Zij deden nog wel een poging, maar lagen al bij café Romeyn, op de hoek van het Maandereind, tegen de vlakte, waarna zij ijlings naar het kantoor terugkrabbelden "Dan zal ik het wel doen", meende v.d. Craats, bij wie dienst voor alles ging. Hij werd natuurlijk uitgelachen, maar trok onverstoorbaar ziin schoenen uit en liep, zonder te glijden, op zijn sokken achter de kar naar het station. Dat hij twee uur later op bijkans blote en half bevroren voeten terugkwam, ontlokte hem alleen maar de schampere opmerking: "Die jongelui van tegenwoordig weten niet meer wat aanpakken is" .

Naast v.d. Craats staat R. Reneman, die woonde aan de Maanderweg waar zijn vrouw een klein snoepwinkeltje beheerde. Trouwens de meeste bestellers deden er wat b ii; door de onregelmatige diensten beschikten zij nogal over vrije tijd, die heus wel benut werd. Willem v.d.Pol bv,had een tabaks vergunning en leverde bij feestelijke gelegenheden de sigaren.

Zuinigheid en vlijt gingen bij hen hand in hand, hetgeen bewezen werd daar het feit dat deze eenvoudige mensen vrijwel allen een eigen huis met een behoorlijke lap grond bezaten.
Het was in die tijd niet zo eenvoudig om brievenbesteller te worden, al waren de eisen, waaraan een gegadigde moest voldoen, niet zo zwaar: een behoorlijke lagere schoolontwikkeling en een lichamelijke keuring. Vooral dat laatste had niet zo veel te betekenen: toen bv. G. Mellink in 1898 postbode kon worden, werd hij gekeurd door dokter Mensonides. Uitkleden was onnodig; de dokter liet hem een paar maal de spreekkamer rondlopen en.constateerde: "Dat is in orde, bal nou eens een vuist" .Ook dat lukte, waarna de arts zijn oordeel uitsprak: "je kunt lopen en je handen gebruiken, goedgekeurd" .


Nee, het beroerdste was dat een eventuele kandidaat vrijwel steeds op de onderste sport moest beginnen nl als hulpbesteller. De verschillende directeuren stelden, uit zuinigheidsoverwegingen geen nieuwe kracht aan als met
een tijdelijke kon worden volstaan. Daarom zocht de man, als hulp nodig bleek, naar een jongeman die geen vast werk had en liefst dicht bij het postkantoor woonde, zodat hij in geval van nood snel ter plaatse kon zijn .
Naar gelang er werk was, deed hij een of meer dagen per week dienst en werd daar ook naar betaald. Bleek hij na verloop van tijd betrouwbaar en voor zijn taak berekend te zijn, dan draaide hij meer mee, maar het kon soms jaren duren voor hij eindelijk in vaste dienst werd aangenomen .


In die tijd werd nog, naar Frans model, een soort kepi gedragen, versierd met de posthoorn. Bij de telegrambesteller, op onze foto links, j. Harmsen- v. Vliet, liep door die posthoorn bovendien een soort bliksemflits ten bewijze
hoe snel een telegram de plaats van bestemming bereikte. In 1929 werd de platte pet met stijve rand ingevoerd met hetzelfde embleem dat echter in 1936 vervangen werd door de letters P. T. T. Tot de verdere uitrusting van de
besteller behoorde ook een wijde pelerine of cape. Deze cape, die slechts bovenaan met een haakje sloot, diende bij regenachtig weer niet alleen tot bescherming van de man, maar nog meer voor de tas met postbescheiden .
In heel vroeger jaren was de besteller tevens kenbaar aan zijn uniformplaat.
Deze ovaal geel-koperen plaat met het opschrift "Posterijen", moest door een ieder worden gedragen die enige dienst buiten de kantoormuren verrichtte,in 1914 verviel dit voorschrift voor de mensen in vaste dienst; voortaan was het dragen alleen nog verplicht door de hulpbestellers, die nog geen uniform aan hadden. De bestellers kregen nu hun nummer op de kraag van de jas; voor het afstempelen van brieven etc. had ieder voortaan zijn eigen stempel, waarin tevens zijn nummer verwerkt was. Als er iets niet klopte kon men dus aan de afstempeling zien wie de fout had gemaakt.


Om zich in het donker van het juiste adres te kunnen overtuigen, behoorde tot de uitrusting van de postbode een petroleumlampje, dat op de borst bevestigd werd. Helaas hadden die dingen vaak de gewoonte om te lekken,
waardoor zijn uniform en wat daar onder zat, er niet mooier op werd. later zijn zij vervangen door carbidlampen, waar je weer op een speciale manier mee moest omgaan tot de elektrisché zaklantaarn haar intrede deed en ook
dit leed geleden was.
Zoals reeds gezegd, de bestellers waren gezien bij de burgerij, zij waren een vraagbaak voor vele mensen en zaten niet gauw om een antwoord verlegen .


Nu hield de aard van het beroep hen van heel wat zaken op de hoogte, temeer daar in die tijd nog veel briefkaarten, eenvoudiger en goedkoper, verzonden werden. Zo'n kaart was gauw even doorgekeken en je wist nooit hoe
deze kennis nog eens van pas kwam. Wel maakten het maar weinigen zo bont als Jan v. Eck; die kon rustig, al lezende, naar de achterdeur lopen om bij het overhandigen van de kaart tegen de huisvrouw te zeggen: "Maak morgen maar geen extra drukte met het eten, want je zuster komt niet; zij is zwaar verkouden" .Maar het mooiste was dat velen zoiets de man heel niet kwalijk namen: integendeel, bij beiaarde mensen, die met de kunst van lezen op niet al te beste voet stonden, werd vaak de post verzocht de gebrachte brief meteen even voor te lezen .

Koffie drinken bij de mensen was dagelijks werk, al wisten de bestellers drommels goed wie een lekker bakje zette en wie niet. Bij deze laatsten hadden zij dan juist een kopje gedronken en je kon elke bestelling niet vergezeld laten gaan met koffie ."Op de boer", zoals de verre buitenwijken genoemd werden, was de post helemaal kind aan huis en sommigen maakten daar een gepast gebruik van .


Zo belandde Kees Overeem eens tegen het middaguur in de keuken bij een boer op de "Hindekamp", waar juist een grote pot boerenkool met worst op tafel stond. Hij was de gehele morgen al op stap, want de Ginkei met Hindekamp was, hoewel er weinig huizen stonden, een lange route. Begerig keek hij naar de dampende boerenkool, die geleidelijk een geweldige eetlust bij hem aanwakkerde. Kees treuzelde een beetje, maakte een praatje over het weer, koud voor de tijd van het jaar, tot de boer, die aan de maaltijd wilde beginnen hem toevoegde: "Mot ie es niet veerder, ie bint nog een eind van huus af" .Overeem vertaalde dat als een uitnodiging, keek de man dankbaar aan en antwoordde: "Ja, dat sla ik niet af, Ik heb best trek in een warme pot", waarna hij zijn stoel aan tafel schoof en rustig aanschikte. De bewoners keken perplex, maar de boerin pakte uiteindelijk toch een bord en zo kreeg de hongerige post ook zijn portie.


Een ander had op zijn bestelling een zoontje van tien jaar, die een vrije dag had op school, meegenomen. Bij een varkenshandelaar in de Maanderbuurt moest hij een kwitantie innen. De vrouw schonk beiden een kopie koffie en zei: "Dan mot ik effe boven geld halen". Terwijl z ij de keuken uit was, zag onze post, al lurkende aan de koffie, een rij prachtige rookworsten aan de zoldering bengelen. Meteen viel hij uit tegen zijn zoontje: "Nee, Karel, dat gaat niet, iii houdt ie mond, dat kun ie hier niet doen. Ik zou me doodschamen voor jou" .Zo ging het maar door tegen de verbaasde jongen, die, van geen kwaad bewust, tevergeefs probeerde te protesteren, tot de vrouw, met geld in haar hand, terugkeerde. "Wat ging ie toch tegen die jongen tekeer,post,ik kon het zo boven horen.
Och die snotneus ,was het antwoord,die zeurt maar om zo'n rookworst,maar ik zeg ,dat geeft geen pas ,zoiets vraag je niet.
O,is dat alles ,hij mag er best een meenemen ,wij zijn niet zo krenterig,meende de vrouw en terwijl zij behendig met een stok de mooiste wordt naar beneden haalde"hier jong en in het vervolg moet je vader niet meer zo brommen"je moet er maar opkomen.


Een postbode wist nu eenmaal van optreden,Ruth v.d. Hoeve ,helaas al vrij jong overleden,kwam eens met een aangetekend stuk bij een oude vrijgezel die behoorlijk doof was. De man moest het stuk voor ontvangst tekenen,maar de deur bleek op slot te zijn.
Enkele roffels op het houtwerk bleven zonder resultaat. Ruth liep naar het raam,keek naar binnen en zag de oude baas aan tafel zitten,geheel verdiept in het lezen van de Bijbel. Dan maar op de ruiten tikken,de man keek niet op of om,blijkbaar drong geen geluid tot hem door. Juist toen Ruth op het punt stond het bewuste schrijven weer mee te nemen,kreeg hij een helder idee. Aan weerszijden van het raamkozijn hing een groen geschilderd luik. Hij maakte de wervels los en sloeg beiden luiken met een klap dicht. Even later stond de verschrikte man buiten en stamelde" O,bin jij het post,'k dacht da'k ineens bliend geworden was,'t wier hartstikke donker in de kamer." Maar Ruth kon zich nu van zijn taak kwijten en na tekening de brief overhandigen.
Legio zijn de verhalen van de postbestellers,die nog in leven zijn.
Tot besluit nog de laatste regel van de toespraak van A.Gazenbeek ,die hij als oudste besteller ,gehouden heeft bij het afscheid van directeur Imminek. De bestellerss hadden voor de scheidende functionaris een wandelstok met zilveren knop gekocht,die door Gazenbeek werd overhandigd. Deze besloot de plechtigheid met de dubbelzinnige opmerking: Het is een bar mooie stok meneer,ik hoop van ganser harte dat j'em niet zult verslieten.
H. J. Nijenhuis