Bouwvakkers

De bouwvakken hebben in ons dorp altijd een belangrijke plaats ingenomen.
Niet zo onbegrijpelijk want voor de komst van de AKU-fabrieken kende men hier weinig industrie. Reeds in de vorige eeuw hadden verschillende kapitaalkrachtige mensen al ontdekt dat het in ons rustige heidedorp goed
wonen was. Zij lieten aan de Stationsweg, maar ook op andere plaatsen, villa's bouwen die na de komst van het garnizoen in 1906 nog in aantal toenamen. Ook wat later, na de Eerste Wereldoorlog, hadden bekende aannemers als Modderkolk, Ettikhoven en Brands, Eylander en Wagensveld, om een paar bekende namen op te halen, volop werk. Geen wonder dat als een jongen van school kwam, vooral als vader ook in de bouwvak werkte, het
voor de hand lag dat hij een vak ging leren. Zelf had hij daarbij weinig te beslissen. Trouwens niet veel jongens van veertien jaar zijn er zeker van wat zij willen worden, terwijl doorleren slechts voor een enkeling was weggelegd.
Nee, een vakman verdiende goed en had altijd werk, zo werd althans beweerd. Dat er voorlopig vrijwel niets te verdienen viel nam men op de koop toe. Een baas beweerde altijd dat een leerjongen de eerste jaren geld kostte
om hem de nodige vakkennis bij te brengen. Het zal wel zo geweest zijn, maar hij compenseerde dat heel aardig door diezelfde jongen voor alle mogelijke boodschappen weg te sturen en erger nog, materialen op een handkar
naar de plaats van bestemming te laten brengen. Men wist niet beter, maar het was wel een uitvinding zo'n transportmiddel. Vooral als een volle vracht naar het hoger gelegen gedeelte van Ede moest worden geduwd was het beulenwerk. Bovendien was het in de bouw werken in steeds wisselende weersomstandigheden met, vooral voor metselaars, bij strenge winters soms wekenlang geen enkele verdienste. Timmerlieden hadden daar minder last
van, die maakten in een vorstperiode al vast kozijnen, ramen en deuren.
Trouwens, de hele verhouding baas-knecht stond op losse schroeven. Er bestond geen enkele arbeidsregeling. Als een karwei klaar was en geen ander werk in het vooruitzicht bleek, klonk het eenvoudig: "Ja, je ziet het, ’t is gebeurd voor je .De vakman zocht zijn gereedschap bij elkaar en reageerde nuchter :ik heb liever dat jij me  opgeeft dan de dokter ," waarna hij vertrok op zoek naar een andere patroon. Sterke verbondenheid met een bedrijf kwam men in die jaren weinig tegen.


Vakantie was nog een onbekende zaak. Pas tegen het eind van de jaren dertig werden drie vrije dagen ingevoerd,overigens nog overdreven want daar voor werden de donderdag, vrijdag en zaterdag aangewezen ,dus
twee en halve dag. Zelfs de christelijke feestdagen werden lang niet door iedere werkgever doorbetaald.

   
Ondanks al deze bezwaren zochten toch heel wat Edese jongens hun toekomst in de bouwvak. Slechts een klein gedeelte van hen bezocht als vooropleiding de ambachtsschool , zoals de tegenwoordige LTS werd genoemd. Niet alleen omdat  zij daarvoor naar Wageningen moesten, wat extra kosten voor de ouders betekende ,maar ook de bazen
hadden net zo lief een jongen zo van school,die zich over het algemeen volgzamer toonde. Om deze gewone jongen. toch  wat technisch onderwijs bij te brengen stichtte "Patrimonium" in 1912 een vaktekenschool .Daar werd les gegeven in bouwkunde en handtekenen,wat uitgebreid lager onderwijs en eenvoudige wiskunde. Even iets over de vroeger zo bekende afdeling Ede van "Patrimonium".


In 1877 werd in Amsterdam de werkliedenvereniging van Patrimonium"  wat vaderlijk erfdeel betekende ,opgericht met het doel sociale gerechtigheid  in de verschillende arbeidsectoren  te brengen . Al spoedig ontstonden in het gehele land  afdelingen ,zo ook in Ede,die op 10 april 1896. Na een rumoerige vergadering in hotel De Posthoorn  van de grond kwam.
Hoewel het woord werklieden ,zou doen vermoeden dat Patrimonium  een soort vakbond van werknemers vormde,was dit allerminst het geval.

   
De mensen die in de loop der jaren deel uitmaakten van het bestuur in Ede,waren van uiteenlopende  pluimage,zoals J .A. Eygenraam, hoofd van de School met de Bijbel,H.G.Vorwald, schildersbaas, H.L. Funcke, meubelinrichting,G.Hey schoenmaker,L.Tulp, houthandelaar, B. Roosenboom,meelhandelaar,M van Gestel,aannemer en anderen.

Opvallend was dat hervormden  en gereformeerden hierin eensgezind samenwerkten, hetgeen in die jaren ook wieg voorkwam. Op algemeen sociaal terrein heeft "Patrimonium ook in Ede verdienstelijk werk verricht. Zo werd in 1904 een christelijke bibliotheek geopend waar iedereen voor een, a twee cent per deel, boeken kon lenen. Aan de bibliotheek heb ik overigens een aardige herinnering. In het bestuur daarvan zat ook M.van Gestel .
Zijn taak was de boeken die van tijd tot tijd geschonken werden te censureren. In een christelijke bibliotheek kun je nu niet alle soorten lectuur onderbrengen. Van Gestel las zo’n twijfelachtig boek aandachtig,genoot ervan ,maar kwam dan tot de conclusie ongeschikt,waarna het in een kist werd opgeborgen. In die tijd was ik kameraadje met zijn jongste zoon Cor en met medewerking van diens oudere broer Thijs, die het lef had de boeken tevoorschijn te halen, lazen wij op twaalfjarige leeftijd al "De Hel" van Dante en de werken van Emil Zola, lectuur die volgens de commissie een verderflijke invloed op volwassenen kon uitoefenen.


In 1916 werd, in opdracht van de afdeling Ede, begonnen met de bouw van honderd dertig huizen aan de Kolkakkerweg en omgeving, later bekend als de Patrimonium-woningbouw. Erg in trek waren ook de dagtochten die
Patrimonium eenmaal in de zomer organiseerde en waar talrijke Edenaren aan deelnamen. Op winteravonden werden lezingen gehouden in het vroegere "Ons Huis" aan de Telefoonweg, waar bekende sprekers uit die tijd het
woord voerden.


Bij de reeds genoemde vaktekenschool hebben heel wat aspirant-bouwvakkers uit Ede en omgeving de eerste beginselen van bouwkundig tekenen geleerd. De lessen werden uitsluitend in de wintermaanden, vier avonden per
week, gegeven. Voor timmerlieden en metselaars duurde de gehele cursus vijf jaar en werd bij goed gevolg bekroond met een diploma. Tegen die tijd begonnen de jongeren ook in de bouw zelfstandiger te worden, kregen het
vak onder de knie en verdienden beter. Dan begon voor hen een leven vol afwisseling. Bouwvakkers zijn nu eenmaal wat vrijgevochten mensen, altijd tuk op een verzetje. Als herinnering aan al die nijvere werkers willen we wat
simpele belevenissen vertellen van de metselaar Aart v .d. Blaak en opperman Peet Barten. Dit tweetal, bij iedere Edenaar bekend, zou men representatief kunnen stellen voor de toenmalige bouwvakkers.

   

 

Aart v.d. Blaak, geboren op 3 apri11888, was nog een vakman van de oude stempel. In zijn tijd was een metselaar veelzijdig geschoold. Ook de onderdelen die nu alleen door specialisten worden uitgevoerd, moest hij beheersen.
Naast de kennis van de verschillende verbanden, dat wil zeggen het patroon waarin de stenen gelegd worden, zoals staand, kruis, vlaams of koppenverband, leerde hij berapen, tegels zetten en het metselen van verschillende strekken en bogen. Dit alles was Aart in zijn jonge jaren bijgebracht en niet altijd op een zachtzinnige manier.

 

Leerjongens werden vroeger niet met fluwelen handschoenen aangepakt. Als er een al te veel praatjes
had werd een stuk panlat in het kruis van zijn meestal op de groei gekochte broek gedraaid en het" andere eind aan een steigermast gespijkerd. Daar stond het slachtoffer, met geen enkele kans om weg te komen, soms urenlang zijn zonden te overdenken. Het kon ook gebeuren dat als zo'n jongen er met. de handkar op uitgestuurd werd, hij bij terugkomst zijn tweedehands fiets boven aan een steigermast zag hangen. Ook de nodige trappen tegen
zijn achterwerk behoorden bij de opvoeding, maar er werden vakmensen door gekweekt die tegen een stootje konden.
Aart v .d. Blaak heeft jarenlang gewerkt bij de firma Ettikhoven en Brands,in die tijd een groot aannemersbedrijf, dat heel wat villa's in Ede en omgeving heeft gebouwd. Een goede klant had de firma aan de familie Clare die
de "Bruine Horst" in Ederveen bewoonde, waartoe ook "Marienhof' behoorde. Toen deze villa wat opgeknapt werd, moest Aart, bijgestaan door opperman Buurkes, reparaties in de kelder verrichten. Daar lagen op speciale
rekken een enorm aantal flessen: de twee stonden beduusd te kijken naar die voorraad wijn. Eensgezind waren beiden van mening dat men op zo'n aantal twee flessen niet zou missen. Helaas was dit gedeelte van de grote
kelder door een stevig rasterwerk afgeschermd. Buurkes kwam op het idee een lat los te wrikken zodat er een arm doorheen kon. Dat lukte, beiden deden een greep, stopten de fles in hun binnenzak en spijkerde de lat weer
vast. 's Avonds thuis deed Aart duur en schonk zijn vrouwen zichzelf een glas geelkleurige wijn in maar de eerste slok vloog bij beiden gelijk over de vloer. Hij had totaal niet naar het etiket gekeken. Het bleek dat de twee in
het schemerdonker van de kelder geen lekker wijntje maar twee flessen azijn hadden gepikt.

   
Ook nieuwsgierigheid kan opbreken. In de strenge winter van 1928 -1929 werd, ook voor de rekening van de familie Clare, de villa "Dalvey" aan de Stationsweg verbouwd. Naast het huis, verbonden door een gang, stond een
fraaie, in Moorse stijl gebouwde rookkamer. Blijkbaar waren er toen ook al vrouwen die er een hekel aan hadden dat de man in huis rookte. In dit vertrek zag Aart een gesloten kist. Door er aan te schudden kon hij merken
dat er aardig wat in zat.

Hij vertelde niemand van zijn vondst, maar nam in schafttijd moker en breekijzer om de kist open te breken. Tot zijn grote teleurstelling kwam alleen maar een aantal closetrollen te voorschijn. Nadat de verbouwing gereed was heeft de oude mevrouw Clare, die haar intrek in de villa had genomen, nog slechts enkele maanden geleefd. Later werd het complex aangekocht door de stichting "Julianaziekenhuis", dat, zij het in de loop der jaren enorm uitgebreid, er nu nog staat.
Een borrel speelde bij de bouwvakkers een belangrijke rol, hoewel minder als wel gesuggereerd werd. Uiteindelijk werd bij nieuwbouw maar eenmaal een eerste steen gelegd en pannen gehangen, de twee stadia waarbij drank op
het programma stond. Natuurlijk werden alle kansen om ook buiten die twee hoogtepunten aan een extra borrel te komen, wel benut. Als op een bestaand huis een nieuwe kap werd gezet, dan was het oude lood en zink via
een opkoper al omgezet in sterke drank voor de loodgieter er aan te pas kwam. Soms kon ook een toevalligheid oorzaak worden om een dropje te halen, zoals Aart eens meemaakte. Zij waren bezig met de bouw van een
huis dat met riet, al wekenlang aangevoerd, gedekt zou worden. Op een morgen ging de ploeg bij de schaft van negen uur als gewoonlijk met de rug tegen de stapel riet zitten. Aart zag tussen de bossen riet een groot aantal
rupsen kruipen en verklaarde: "Hier ga ik niet zitten, het krioelt van de rupsen." Een paar anderen stonden eveneens op, maar Bart, de opperman, keek hen minachtend aan en meende: "Stel je niet aan, voor die paar
beestjes weg te lopen." Toen Aart toch aanstalten maakte een ander plekje te zoeken, vervolgde hij: ,,'k Zal het nog sterker maken, als jullie een liter jenever lappen, mag je me zes van die groenzakken tussen de boterham
leggen en dan eet ik ze nog op ook." Het stel keek elkaar aan. Meende Bart dat werkelijk? De portemonnaies kwamen voor de dag, ieder scharrelde twee kwartjes op die Aart in bewaring nam, waarna het op de rupsenjacht ging. "Goeie dikke uutzeuken," meende de schilder Teris Gaasbeek, welke raad zij terdege ter harte namen. Bart haalde een boterham voor de dag, at eerst het dunne plakje kaas er tussen uit, waarna zes uitgezochte exemplaren op een snee brood werden gelegd. Vlug de andere er bovenop, stevig aangedrukt om ontsnappen te voorkomen en: "Eet smakelijk Bart." Belangstellend keken zij toe of hij het waar zou maken, maar daar liet Bart geen twijfel
over bestaan. Een flinke hap verdween tussen zijn malende kiezen. Onverstoorbaar at hij door. Op een gegeven moment wilde een rups de Jonasdoodm ontsnappen en verscheen in zijn mondhoek, maar met een haal van zijn tong haalde Bart het diertje weer naar binnen. Op dat moment werd het de timmerman Evert Hey te machtig. Hij liep weg, bang dat zijn maag zich zou omkeren. De boterham was verdwenen en Bart zei: "Nou hebben jullie het
gezien, als de mieter jenever halen." Aart gaf het geld aan een timmermansleerling met de opdracht behalve de fles ouwe ook een glaasje mee te brengen; van werken kwam het eerste uur niets meer.
Later ging Aart v .d. Blaak bij M. v. Gestel werken wiens metselbedrijf na de oorlog door zoon Jan werd voortgezet. Hij bleef hier tot hij vijfenzestig werd en had voortaan Peet Barten, waar wij het nog over zullen hebben, als
opperman bij zich. Behalve een borrel vormde, bij klantenwerk althans, ook koffie drinken een gewaardeerde onderbreking vanhet werk. Vrijwel geen enkele Edese huisvrouw zou zich aan deze morele plicht onttrekken als zij
werklui over de vloer had. Het werd een kwartiertje gezellig babbelen of grapjes maken zoals eens bij de dames Wandscheer, waar Aart en Peet een karweitje moesten opknappen. Zo tussen het eerste en tweede kopje door
vroeg Aart onschuldig: "Hebben de dames het al gehoord? " "Nee, v.d. Blaak, wat heb je voor nieuws? " "Nou, over de koster van de grote kerk," ging Aart door. Hun nieuwsgierigheid was gewekt: "Wat is er met die man? " Maar Aart wakkerde de spanning nog een beetje aan. "Niet mis, op staande voet ontslag gekregen." "Nee toch, wat heeft hij toch in vredesnaam uitgevoerd? " Dan kwam Aart, met ingehouden lachen: "Eigenlijk niets,maar hij verrekte het om elke week het haantje van de toren te poetsen." De dames lachten zuurzoet, terwijl Peet toelichtte: "Het is maar een grapje." In die jaren werkte bij M. van Gestelook een aankomend opperman, Teus Jansen; helaas is hij op vrij jonge leeftijd tegen het einde van de oorlog door een granaat om het leven gekomen. Zij werkten aan een verbouwing bij de zo bekende bakker T. ten Ham, aan het begin van de Otterloseweg. Tegen half elf werd Peet gevraagd hoeveel mensen er waren met het oog op de koffie. Deze gaf ten antwoord: " Vijf man en twee schilders," want deze laatsten beschouwde hij niet als volwaardige bouwvakkers. Nu was er die ochtend, vooral door Aart, nogal gemopperd op Teus, die, toen er even later voor koffie geroepen werd, revanche nam. Elke bouwvakman die zichzelf respecteerde, pruimde, maar uit zuinigheid werd deze pruim voor het koffie drinken niet weggegooid, maar op de schaafbank van de timmerman gelegd.
Daar lagen zij, netjes op een rijtje, zes bruine hoopjes, half uitgekauwde tabak. Terwijl het stel de keuken in slofte, draalde Teus wat en toen zij binnen waren, verwisselde hij de weke pruimen kris-kras door elkaar. Na de
koffie liep elk eerst naar de schaafbank en stak naar zijn beste weten de eigen pruim weer in de mond, maar Teus had lol. "Pruim smakelijk," dacht hij, alleen jammer dat hij alleen van de grap kon genieten.


Aart v.d. Blaak was een prima vakman maar kon slecht aanmerkingen op zijn werk of inzicht velen. Bij de bouw van een huis aan het Bezuidenhout zou hij een betonvloer in de bijkeuken leggen. Daarvoor werden twee profielen waterpas gelegd waarover met een rei de beton werd gladgestreken.
Voor Peet met een kruiwagen beton aan kwam zetten, keek Aart er nog eens overheen en zag dat zij nog niet helemaal van scheelte lagen. Juist toen hij dit veranderen wilde, kwam Van Gestel aanlopen en vroeg: "Hoever sta je
ermee? " "Effe de profielen nakijken, die liggen nog niet goed," was het antwoord. "Ben je mal, het is maar een bijkeuken, gooi de beton er maar in," meende Van Gestel. Op dat moment kwam ook de heer Dekker, de
architect onder wiens leiding het huis werd gebouwd, voor zijn dagelijkse.ronde aanstappen. Hij keek even en zei toen: "Van Gestel, dat klopt niet helemaal," waarop deze glashard antwoordde: "Zag ik meteen, maar ik zeg
net tegen Aart, hij staat er zelf nog bij, eerst die profielen goed waterpas leggen." Woedend keek Aart zijn baas aan, zei niets, maar was de rest van de dag niet te genieten. En nu Peet Barten, een opperman die iedere baas graag in dienst had, oersterk en met plichtsgevoel voor zijn werk. Hij was rap met de tong en gaf altijd, ook ongevraagd, zijn mening ten beste, maar goochelde een beetje met sommige woorden. Over een oude woning sprak hij altijd van "een ouderwets huis". Als een baas bij de aanvang van een nieuw karwei verklaarde: "Jongens, ik heb er een zuinig prijsje van, dus een beetje aanpakken," kwam Peet: ,,'t Is weer zover, laten we ons niet haasten, wij
hebben geen tijd te verliezen." Of als hem iets mislukte en hij werd uitgelachen: "Lach maar niet, dat komt je ook wel over." Nooit ben ik er achter gekomen of hij zo sprak om lollig te zijn of niet beter wist, maar je moest
oppassen om deze spreektrant niet over te nemen.

   

 

Bij dat opperen, hoewel meestal werk voor ongeschoolden, kwam wel degelijk de nodige vakkennis om de hoek kijken. Bovendien was het in die jaren, zonder moderne hulpmiddelen zoals betonmolens en hijsmateriaal, een bijzonder zwaar werk. Een goede opperman was 's morgens een kwartier eerder op het werk dan de rest. Dan maakte hij vast een bed specie klaar en zette stenen gereed, zodat de metselaars meteen aan de slag konden. Zo ging het de ganse dag door, stenen sjouwen, zorgen dat de kuipen vol bleven en dat alles op zijn nek, waarbij, naarmate de bouw vorderde en de steigers hoger werden, het werk moeilijker werd. Vanaf de eerste steiger moest hij tussen het sjouwen door alvast voorbereidingen treffen voor de volgende. Langsliggers met een mastworp tegen de palen binden, kortelingen leggen om later gezamenlijk met de metselaars planken en kuipen omhoog te brengen. Zoals men ziet, de man kreeg het niet cadeau. Daarbij werd van hem verwacht dat hij tussen de bedrijven door de bouw "schoon" hield door alle puin en afval op een hoop te gooien, alsmede reeds de beer en zinkput te graven. Peet Barten was zo'n doorgewinterde sjouwer. Hij zag niet tegen hard werken op,
hoewel, op zijn manier was hij toch uitgeslapen.

Bij de bouw van een huis aan de Van Borsselelaan werkte ook een metselaarsleerling, Nol v.d. Weerd, een vrolijke jongen en voor zijn achttien jaar sterk als een beer. De kap stond op het huis; nu moest de schoorsteen uit
het dak gehaald worden, het hoogste en moeilijkste punt voor een opperman om te sjouwen. Eerst een lange ladder op naar de bovenste steiger en vandaar nog een, tot aan de schoorsteen boven de nok. Nol had niet veel te
doen want dat laatste stuk behoorde tot het zogenaamde schone werk, waar een leerling alleen naar mocht kijken. Dus maakte hij een babbeltje met Peet die juist een tas van zeventien stenen had gestapeld om op zijn nek te zetten.
"Wedden dat ik die ook boven bij Aart krijg? " vroeg Nol. "Wedden doe ik nooit," meende Peet, "maar ik moet het eerst nog zien." No1 zette de stenen op zijn schouders en ging de ladder op. Hoewel hij moeite had het zaakje in
evenwicht te houden, kwam hij met de stenen heelhuids boven. Beneden gekomen sneerde hij: "Heb je het nou gezien? " Peet reageerde maar matig: "Ja, maar dat is nog geen tien keer achter elkaar, met een paar bakken
specie er tussen door, zoals ik het doe." Dat was de eer van Nol te na. "Zet nog maar negen tassen klaar , maar dan van vijftien stenen, dan praat je straks wel anders." Peet stapelde en Nol ging aan het sjouwen. Hij kreeg de
slag te pakken, met de nodige inspanning waren een uurtje later al de stenen plus de benodigde specie boven, voldoende voor Aart om de schoorsteen klaar te maken. Nu was de lof van Peet inderdaad uitbundig: "Dat had ik nooit gedacht, wat sterk ben jij, je wordt later nog een Dempsey." Nol glunderde vol trots maar vergat dat Peet, terwijl hij zich uit de naad sjouwde, rustig een pijpje rookte en ditmaal zonder enige inspanning het materiaal
naar de moeilijkste plaats had gekregen.
Op zijn beurt werd ook Peet wel in de boot genomen. In de pastorie aan de Grotestraat, nu staat er een groot warenhuis, zouden de: suitekamers van nieuwe plafonds worden voorzien. Jan van Gestel ging er met Peet heen, die
kon al vast het oude gebarsten stuc- en rietwerk er uitslaan en opruimen, waarna timmerlieden een nieuw boordplafond zouden aanbrengen. De kamers waren al keurig leeggehaald, alleen in de achterkamer stond nog een
salamanderkachel, dominee was blijkbaar van mening dat die geen kwaad kon. Peet keek speurend de kamers rond, zag de salamander en meende: "bie kachel kon ik goed gebruiken, de onze is niet zo best meer." "Wat mij
betreft," aldus zijn baas, "kun je hem meenemen." Als er iets te halen viel liet Peet er geen gras over groeien. Hij nam tussen de middag een kruiwagen zette de kachel erop en reed er mee naar huis. Veertien dagen later, de
kamers waren als nieuw geschilderd en behangen, toen het domineesechtpaar aan het inruimen begon, misten zij hun verwarmingsapparaat. Van Gestel werd erbij gehaald. Die hield zich van de domme, maar ging onmiddellijk naar Peet die inmiddels al op een ander karwei zat. "Als de mieter die kachel terugbrengen Peet, anders krijg ik moeilijkheden met de dominee." Peet was ten hoogste verontwaardigd: "Jij zei zelf dat ik hem mee kon
nemen, nou hebben wij de oude al weggedaan." Er hielp echter geen lieve vader of moeder aan. Peet haalde de mooie salamander weer uit de woonkamer, zette die in de schuur van de dominee en verklaarde dat hij, om
beschadiging te voorkomen, hem daar had opgeborgen. Dominee was gerust, maar Van Gestel moest wel zorgen dat Peet een andere kachel kreeg, zodat hij eigenlijk de dupe werd van zijn eigen grapje.
Och, het ging over en weer.

Kort na de bevrijding toen de omgeving van Ede nog niet overal gezuiverd was van achtergebleven oorlogstuig, moest Van Gestel een villa bouwen aan de Schralenhouw. Peet Barten was met het
grondwerk bezig toen de baas een kijkje kwam nemen. Even een babbeltje waarna Peet zijn schop weer in beweging bracht en op een hard voorwerp stuitte. "Verrek," zei hij met zijn hand in de grond grabbelend, "alweer een
handgranaat." Meteen maakte hij een beweging om het projectiel voor de voeten van zijn baas te gooien. Deze schrok zich mottig en zette onder de kreet "ben jij hartstikke gek geworden" de sokken erin. Peet begon daverend te lachen: de handgranaat bleek een totaal verroest koffiestroopblikje te zijn.
Zulke streken kon je van Peet verwachten. Ongemerkt kon hij een uitgekauwde pruim in zijn rechterhand stoppen om dan joviaal met uitgestrekte arm een ander te begroeten met de opmerking: "Jij hebt nog nooit wat van
mij gehad, asjeblieft," waarbij hij het slachtoffer de weke massa in diens uitgestoken hand drukte. Een borreltje daar was Peet gek op, maar hij had de pech dat zijn vrouw er een uitgesproken tegenstandster van was; zij
duldde geen sterke drank in huis. Daarom dronk Peet zijn slokje meestal buiten de deur, maar om toch wat bij de hand te hebben verborg Peet constant een fles in zijn schuur. Hij had een hondje dat elke avond na de
koffie door hem werd uitgelaten. Dan was de eerste gang naar de schuur om, evenals voor het binnenkomen, een slokje te nemen. Het kon gebeuren dat dit juist zijn dorst aanwakkerde. Een uurtje later trapte hij dan zachtjes het
hondje op zijn staart. Het dier piepte dan, keek naar zijn baas, die reageerde: "Mot je er al weer uit, kom dan maar," waarop de ceremonie herhaald werd en Peet wat later toch met een paar slaapmutjes op naar bed ging.
Het was een figuur, die Peet Barten, zoals zo velen uit de toenmalige bouwwereld. Bovenstaande grapjes zouden met tientallen kunnen worden aangevuld. Er wordt nog altijd veel gebouwd, nog steeds is er vraag naar woningen: oude krottenwijken verdwijnen om door moderne huizen te worden vervangen. Maar ook hier is de sfeer van vroeger verdwenen, al zal er op zijn tijd nog wel een borreltje of biertje genomen worden. De metselaar van
vroeger met zijn grijs linnen kiel aan, de timmerman met zijn manchester broek en voorschoot; zij zijn vervangen door bouwvakkers in een overall, die omringd zijn door alle mogelijke moderne hulpmiddelen.

H. J. Nijenhuis