Edese verhalen


Een geliefkoosde bezigheid op het platteland van vroeger jaren was ongetwijfeld het zogenaamde buurten. Tijdens de lange winteravonden, die zich daarvoor uitstekend leenden, kwamen bekenden over en weer bij elkaar op bezoek. Dat begon zo half november, na de slacht, om door te gaan tot het prille voorjaar als bij het lengen van de dagen het werk weer de volle aandacht opeiste. Ongetwijfeld zullen ook in deze tijd nog wel buren bij elkaar op visite komen, zij het na de zorgvuldige afwegingen "hebben we niets", "wat is er vanavond op de tv" of "heb ik geen vergadering". Maar destijds,
vrijwel zonder ontspanningsmogelijkheden, vormde "het buurten" voor veel mensen de enige uitgaansavond. Als de stormwind aan de luiken rammelde of een sneeuwjacht een witte deken over het landschap spreidde, schaarde
men zich genoeglijk, met de kousenvoeten op de plaat, om de potkachel.
Onder het genot van een kopje koffie werden de dorpsnieuwtjes grondig behandeld en van het nodige commentaar voorzien. Met het brandenwijntje en de boerenjongens, terwijl het stemvolume daalde, kwam het gesprek op
geheimzinniger onderwerpen. Verhalen over bovenaardse gebeurtenissen, spoken of geestverschijningen, veelal reeds uitentreuren verteld, werden tijdens die lange winteravonden in een nieuw jasje gestoken en bleven een geliefd onderwerp. Het was buiten kijf dat ook in ons dorp en omgeving zich hier en daar bovennatuurlijke machten manifesteerden, al ging de volgende morgen, als het daglicht aanbrak, veel van hun kracht verloren. Ook mijn
ouders deden wel aan burenbezoek, waarbij ik zo vanaf tien jaar zelfs mee mocht, maar tot mijn teleurstelling kwamen bovengenoemde zaken slechts sporadisch ter sprake. Mijn vader was nu eenmaal een nuchter mens bij wie
dergelijke verhalen alleen maar een lichte spot opwekten. Met een variant op een bekend spreekwoord beweerde hij: "Een gek kan meer vertellen, dan tien wijzen willen geloven." Overigens begrijpelijk dat met een dergelijke
instelling op dit gebied een goed contact met mensen die zich daarvoor interesseren, laat staan met geesten, er niet gemakkelijker op werd. Mijn schoonvader, die ik begrijpelijker wijze veel later leerde kennen, hield er een
ander standpunt op na. Hij geloofde heilig in bijzondere verschijnselen en had "verdulleme, zo waar als ik hier zit," ook wel een en ander meegemaakt.
Als brievenbesteller in Harskamp moest hij enige malen per week in de namiddag op de fiets de post in Ede ophalen. Bij winterdag was het allang donker voor hij de terugweg kon aanvaarden en in de omgeving van het Hondelok zag je dan soms wonderlijke dingen. In de duisternis, onder de zware bomen, waar de carbidlamp slechts een paar meter schemerig licht gaf, dansten vaak dwaallichtjes. Zij waren vrij ongevaarlijk, sprongen op en neer tot vlak om de fiets heen, maar als de vlakke weilanden even voor Wekerom opdoemden, verdwenen zij snel. Ernstiger was het in Harskamp
zelf, als hij late dienst had en daarna huiswaarts ging. Tegen het middernachtelijk uur maakte je dan een goede kans een man met een brandende takkenbos op zijn rug tegen te komen. Het was een angstaanjagend gezicht.
Die takken brandden fel en straalden een helder licht uit, maar verteerden niet. Onverstoorbaar ging de gestalte langs een vaste route verder: het spook van 't Meulenveld. Bij zijn leven had de man een huis in brand gestoken.
Deze brandstichting kwam hem na zijn dood duur te staan. Zijn geest zou geen rust vinden eer hij als boetedoening vijfentwintig jaar lang, op deze manier uitgedost, elke nacht langs de plaats van zijn misdrijf was getrokken.
Verschillende mensen moeten hem, zij het op een eerbiedige afstand, gezien hebben, maar nu is daar geen kans meer op; hij heeft zijn straf er al geruime tijd op zitten.

   

Ook in ons dorp zijn heel wat dergelijke verhalen in omloop. Elke Edenaar heeft wel eens over het spook van Kernheim gehoord, de witte juffer. Er zijn verschillende versies van bekend. Wij vertellen er hier maar één, zonder te beweren dat het precies zo gebeurd is. In vroeger jaren werd op huize Kernheim een jonkvrouw hevig het hof gemaakt door een knappe jongeman.Zijn vurige liefdesverklaringen, gepaard met trouwbeloften, hadden haar volledig veroverd. Helaas, toen de grote dag al dicht genaderd was, verdween de aanbidder met de noorderzon.
   

Blijkbaar waren bij nader inzien de bezittingen van het aloude Kernheim toch te gering om daarvoor een levenslange verbintenis aan te gaan. De jonkvrouw kon het niet verwerken: zij kwijnde weg, het leven had voor haar geen zin meer. Na enige jaren tevergeefs wachten trok zij haar bruidsjapon die, evenals de gehele uitzet, al gereed was aan
en verliet haar boudoir , om zich in een klein zolderkamertje terug te trekken. Vandaar keek zij uit over landerijen en bossen naar haar geliefde, die nooit meer op kwam dagen. Van verdriet stierf zij op jonge leeftijd, maar haar geest, nu gehuld in de witte trouwjurk, bleef op zolder om er elke nacht op uit te trekken, nog altijd op zoek naar de trouweloze minnaar .

Soms zweefde zij een geest of spook loopt nu eenmaal niet zoals een normaal mens helemaal tot de Doolhof om via het kerkhof weer bij Kernheim te komen. Vaak rustte zij even uit op de reusachtige steen die op de hoek van het kerkhof lag, waarbij het kon gebeuren dat, al mijmerend, de tijd vergeten werd en het al begon te dagen, voor de weg naar huis werd ingeslagen. Daardoor was het mogelijk dat boerenknechts, die in alle vroegte naar het land trokken, haar ontdekten. Maar contact maken was er niet bij, bij het minste gerucht verschool zij zich achter de zware beukenstammen van de Kernheimerlaan, om even later gezwind door het zolderraam te verdwijnen.

Die steen op de hoek van het kerkhof heeft ook zijn geschiedenis; lang geleden stootte ene Steven Bosch bij het grint graven op de Doesburgerheide tegen een geweldige kei, zo groot als er in de hele omgeving nog nooit gevonden was. Na deze melding van Steven besloten enige mannen de steen uit te graven en naar het dorp te brengen. Doordat het vanaf de vindplaats langzaam bergafwaarts liep, ging dat, al rollende, aanvankelijk vrij goed.
Maar bij het kerkhof begonnen de moeilijkheden; de bodem werd vlak en de steen te zwaar voor verder transport, dus liet men hem daar liggen. Toen de geruchten de ronde deden dat de witte juffer bij haar nachtelijke omzwervingen dit punt als rustplaats had gekozen, kwamen al gauw ook over de enorme steen de nodige verhalen. In mijn kinderjaren werd ons wijsgemaakt dat er bloed uit de steen droppelde zodra je er met een speld in prikte. Bij heimelijke proefneming evenwel, boog wel de speld krom, maar er verscheen geen spatje bloed. Ergens klopte het dus niet. Het moet ook zijn voorgekomen dat op een morgen met sierlijke letters in de steen stond gekrast: "Wat zoudt gij U verwonderen, als gij mij zaagt van onderen." Dat wekte natuurlijk nieuwsgierigheid op; door een aantal mensen werd met uiterste krachtsinspanning de steen omgewenteld, waarna zij tot hun verbazing, lazen: "Hoera, wat ben ik blij, eindelijk lig ik op mijn andere zij." Och, die oude vertelsels moeten niet op waarheid getest worden, dan gaat de glans eraf,
maar een feit is dat de reusachtige kei er nog altijd ligt, zij het op een andere plaats.

In 1930 werd. het kerkhof uitgebreid, waardoor de steen weg moest.
Met hulpmateriaal van de Edese machinefabriek verhuisde de zware kolos naar de ingang van "De Doolhof'. Daar, op dit vroeger zo leuk aangelegde, maar nu sterk verwaarloosde stukje bos, trotseert hij de tijden en is nog door
een ieder te bewonderen.
Het spook van Kernheim moet nog niet zo lang geleden in de circulatie zijn geweest. Ten tijde dat Anna Maria Moens van 1818 tot 1832 hier haar bekende kostschool hield, werd er geen woord over gerept. Bovendien was het nieuwe kerkhof, circa 1880, er al en ook de mensen die er zo spannend over konden vertellen, zoals jachtopziener Jan Heerikhuisen en de voerman Sander Waayenberg, waren van veellater tijd. Eerstgenoemde zat dicht bij het vuur; hij is jaren in dienst geweest bij de familie De Ridder, een van de laatste bewoners van Kernheim. Sander heeft eens bij schemeravond de
witte juffer achter op zijn wagen gehad en daarbij zulke angsten uitgestaan dat man en paard doornat bezweet thuiskwamen. Ook is bekend dat genoemde familie De Ridder door al deze verhalen maar moeilijk aan huishoudelijk personeel kon komen, waaruit duidelijk de invloed van de witte juffer blijkt.


Kenmerkend is dat dergelijke geschiedenissen altijd een eenzame omgeving als achtergrond hebben. Om even in de omgeving van Kernheim te blijven; het volgende verhaal speelt zich af bij de Doesburgermolen.

   
Deze bekende molen is een der oudste van ons land. In de eikenhouten spil of standaard waar het hele geval om draait, vandaar de naam standaardmolen, staat het jaartal 1507 gesneden. In de loop der jaren raakte de molen danig in verval door toedoen van enkele molenvrienden werd in 1935 een restauratie uitgevoerd, terwijl in 1952 de wieken en het buitenwerk een beurt kregen. Omstreeks dezelfde tijd deed de laatste eigenaar de molen over aan de gemeente Ede, zodat de toekomst van dit monument veilig is gesteld. Hoewel toen al lang buiten gebruik, hebben buurtbewoners in de Tweede Wereldoorlog van de molen nog een dankbaar gebruik gemaakt. Met medewerking van de eigenaar zijn toen heel wat zakken graan clandestien gemalen zonder dat de bezetters het bemerkten.

Die Doesburgermolen moet eens een molenaar gehad hebben die het met mijn en dijn niet al te nauw nam. Van elk half
mud gemalen graan, nam hij een schep af voor eigen gebruik, een kleinigheid waarvan de boeren bij het ophalen van de zakken niets bemerkten, maar die hem gratis grondstof voor het broodbakken opleverde. Ook voor hem kwam
op een bepaalde tijd het einde. Op zijn sterfbed, waarbij hij op zijn leven terug eek en de min. en pluspunten tegen elkaar afwoog, kwam hij tot de slotsom dat, mede door de graanaffaire, de balans naar de verkeerde kant doorsloeg hoewel berouw altijd na de zonde komt, bij hem zelfs rijkelijk laat, kon hij nog wat goed maken. De molenaar liet zijn familie beloven tien mud roggemeel, naar zijn, overigens nog zuinige schatting ongeveer wat hij achterover had gedrukt, aan de armen te geven. Deze beloofden dat vlot, een laatste wens van de stervende moet men eerbiedigen, maar nadat de man
begraven was, werd het nog vlotter vergeten. Gevolg was echter dat toen zijn laatste verzoek niet werd ingewilligd, de geest van de molenaarsbaas geen rust kon vinden. Er zat niets anders op dan het zelf goed te maken. Voortaan zwierf hij elke nacht door de molen op zoek naar meel, een schep en zakken om die tien mud bij elkaar te scharrelen. De arbeidstijd van een geest is echter beperkt, even voor en na het middernachtelijk uur, bovendien kon hij niet zo goed meer uit de voeten, zodat er weinig schot in zat. De knecht van de nieuwe molenaar kon 's morgens duidelijk bespeuren dat er iemand aan het werk was geweest. Zakken stonden door elkaar.de schep lag telkens op een andere plaats:een duistere geschiedenis ,ontegenzeggelijk spookte het in de molen. Het verhaal kwam al gauw naar buiten. De boeren ,minder onder de indruk van het spook dan wel bang dat de geschiedenis zich kon herhalen en zij op dezelfde manier te grazen genomen zouden woren,begonnen de molen te mijden. Zij zochten aan andere molenaar ,die weliswaar wat verder weg woonde,maar waar snachts niet met het meel werd gerommeld. De baas van de Doesburgermolen,zelf eerlijk, als goud,zag zijn omzet sterk terug lopen. Ten einde raad gaf hij zijn knecht opdracht tien zakken meel naar de diaconie te brengen,die voor een eerlijke verdeling onder de behoeftige inwoners van ons dorp moet zorgdragen. Hierdoor keerde de rust weer. De oneerlijke molenaar had genoegdoening verkregen. De zaken bij de Doesburgermolen liepen weer als te voren.

 

   

Op het oude kerkhof aan de Paasbergerweg was tegen het einde van de vorige eeuw eveneens niet pluis.Dit kerkhof werd in 1828 aangelegd. Voor die tijd werden de doden om de kerk, heel voorname daarin begraven,maar vanaf genoemd jaar werd dat verboden en moest elke plaats over een kerkhof beschikken. Een paar mensen ,die s'avonds laat door het steegje dat tussen de Driehoek en het kerkhof liep om even verder bij de Hofstraat uit te komen ,wandelen .zagen vreemde verschijnselen tussen de verspreid staande grafzerken. Het leken wel witte gedaanten die van de grond opzweefden om even later in elkaar te zakken. De volgende dag vertelden zij in de buurt van die gestalten van het kerkhof.

De conclusie lag voor de hand :ongetwijfeld de geesten van daar begraven mensen die op hun manier protesteerden tegen verplaatsing van het kerkhof. Dat kon kloppen want in 1879 had de buurt Ede-Veldhuizen twee hectare grond op de Stompekamp verkocht aan de gemeente ,voor aanleg van een nieuwe algemene begraafplaats. Later kwam men er achter dat een van huisvrouwen uit de Driehoek ,die het kerkhof als bleek gebruikten, die bewuste avond vergeten was haar was binnen te halen. De opstekende wind deed het wasgoed op en neer waaien,maar het verhaal had wortel geschoten. Het steegje werd voortaan,vooral bij avond door veel mensen gemeden.

 

 
Dan was er nog het bekende spook van villa Chasselay . Onder deze naam stond vroeger een kapitale villa met enorme tuin, bovenop de Paasberg . De villa was gebouwd in 1886 door ene Schuurman ,laatste bewoonster was freule Van Leynden. Een voerman die een overledene vanuit een Arnhems ziekenhuis naar Ede moest brengen heeft eens ,precies op de top van de Paasberg de kist verloren. Bij de tol ,voor de ingang van het dorp,kreeg hij dat pas in de gaten en keerde haastig terug om alsnog de kist op te halen. Er ging niet zoveel tijd mee verloren,maar toch had de kist lang genoeg op de Paasberg gestaan om voorbijgangers aan het schrikken te maken de geest te laten ontsnappen.

Sindsdien spookte het daar, hetgeen ons, kwajongens, als we in de tuin wat tamme kastanjes probeerden machtig te worden en wij verjaagd werden door tuinman Willem Hendriksen onder de kreet ,,'k zal het spook wel op jullie afsturen," extra duidelijk werd gemaakt. De villa is al voor de Tweede Wereldoorlog gesloopt en met haar is ook het spook verdwenen.

Vanuit kerkelijke kringen probeerde men dergelijke verhalen zo goed mogelijk de kop in te drukken. Het was allemaal onzin en bijgeloof, dus ernstige zonde. Ook voor zieners, waarzeggers of mensen die met de helm op geboren waren werd streng gewaarschuwd. Want het waren niet alleen schimmen of geesten die bij nacht en ontij kwamen
opdraven, maar ook doodgewone mensen van vlees en bloed konden over bovennatuurlijke gaven beschikken.

   
Wie kende niet Ka Robbertsen uit de Driehoek, die de toekomst kon voorspenen en op een uitgebreide klantenkring kon bogen. Of zwarte Kee die in de armenhuizen woonde, een klein vrouwtje met glinsterende kraaloogjes, altijd getooid met een zwarte omslagdoek en van wie men stenig beweerde dat zij kon toveren. Alle kinderen waren wij als de dood voor haar .Wij liepen liever een kwartier om als we die kant uit moesten, dan dit rijtje huizen, voor aan de Kleefseweg, te passeren. Zij probeerde je naar binnen te lokken en dan kwam je er als geit of bok weer uit, zo werd ons wijsgemaakt. Dat zal wel wat overdreven geweest zijn, maar toch bleven ook volwassen mensen uit de buurt liever goede maatjes met haar

Een buurman had een kersenboom en als de vruchten rijp waren ging de eerste schaal geplukte kersen naar Zwarte Kee. "Als ik dat nie doe," was zijn uitleg, "dan wordt zij kwaad en hangen morgen alle kersen verdroogd aan de boom." Ja, Kee maakte wel een gepast gebruik van de toegeschreven tovermacht. Dikwijls werd haar wat toegestopt om haar vriendelijk te stemmen, wat overigens niet zo erg was, want breed had zij het allerminst.


Dat door de kerkelijke overheid streng werd opgetreden tegen alles wat met "zwarte kunst" te maken had, bewijst de volgende ware geschiedenis, al is het lang geleden gebeurd. Ten tijde dat dominee Irhoven hier voorganger
was, van 1722 tot 1737, woonde aan de Spindersteeg Comelis Geurtsen, gehuwd met Neeltje Gerritsen. Het echtpaar bezat een boerderij, niet al te groot, maar voldoende om met hard werken de kost te verdienen. Tevreden
verrichtten zij hun dagelijkse werkzaamheden, tot hen onverwacht een ramp trof. Zonder aanwijsbare oorzaak gingen vlak na elkaar twee koeien dood, voor mensen zoals zij een strop die hard aankwam. In die tijd lag de gedachte voor de hand dat hier duistere machten in het spel moesten zijn. Er werd contact opgenomen met de buren en men kwam tot de slotsom dat die koeien betoverd waren. Om daar zekerheid over te krijgen werd de vilder gehaald, ook al omdat zij daardoor in ieder geval de huiden konden redden. De man kwam, maar verklaarde dat hij dit werk alleen moest doen: bij
tovenarijgevallen kon hij niet werken als mensen hem op de vingers keken.
De vilder liet de kadavers achter de stal slepen en ging aan het werk. Hij sneed de dieren open, de huiden werden gevild, waarna hij plechtig verklaarde dat de dieren inderdaad betoverd waren. Een groot aantal padden en
hagedissen was uit de ingewanden gekropen om haastig in een nabij gelegen sloot te verdwijnen, het onweerlegbare bewijs. Het echtpaar was radeloos.
Als hier niets aan gedaan werd zou ongetwijfeld de rest van de veestapel volgen. De vilder wist raad: als tegen offer moest nu een gezonde koe worden geslacht. Het vlees was geschikt voor consumptie, maar de ingewanden,
waarin het ongedierte zich verzamelde, zouden in de varkenspot goed gaar gekookt en door elkaar gestampt moeten worden. Van deze brij moest een cirkel om de stal gestrooid worden, hetgeen de tovenaar zou beletten bij de
staldeur te komen. Nog sterker zou deze magische kring werken als de hulp werd ingeroepen van Kuiper, een machtig ziener en aflezer uit Renswoude.
Geurtsen volgde deze raad op. Onder supervisie van de grote Kuiper verliep alles volgens plan en gelukkig, de rust keerde terug in de stal. Er stierven geen koeien meer. Een en ander was begrijpelijkerwijze niet geheim gebleven. De hele buurt had volop meegeleefd, dus kwam het ook de kerkenraad ter ore. Dominee Irhoven, met strenge vermaningen in zijn achterhoofd, vergezeld door een ouderling, toog op onderzoek. Jammer voor hem bleek dat alleen de vrouw lidmaat van de kerk was, dus kon hij het hoofd van het gezin niet ter verantwoording roepen. Van Neeltje werd hij evenmin veel wijzer, zij liet weinig los, drommels goed wetende dat hun koeien daar niet mee terug kwamen. Nochtans besloot de kerkenraad haar wegens verregaand bijgeloof onder censuur te stellen en te weren van het Heilig Avondmaal,
totdat zij in ootmoed berouw zou krijgen van haar duivelse handelingen. De geschiedenis vermeldt niet of zij ooit zo ver is gekomen.


Soms werd getracht uit geheimzinnige zaken munt te slaan. De eigenaar van de twee villa's "Hugo" en "Jacoba" aan de Stationsweg wilde deze panden verkopen. Voor de eerste villa had hij spoedig een koper maar met "Jacoba"
ging het minder vlot. Er liepen geruchten dat bij deze villa zich 's nachts wonderlijke zaken afspeelden, dat schrikte aspirantkopers danig af. Ten slotte vroeg de eigenaar aan nachtwacht Peet Scherrenburg, tegen een extra
beloning, zo omstreeks middernacht een rondje om de villa te maken. Peet was voor geen kleintje vervaard, vooral niet als er wat te verdienen viel. Dus op een nacht ging hij erop af, langs het huis tot de achterdeur, maar toen bleef hij verbluft staan. In een tuinhuisje enkele meters verder zat, geheel in het wit gekleed en kaarsrecht op haar stoel, een oude dame van wie het hoofd een spookachtig licht uitstraalde. Nadat Peet van de eerste schrik was bekomen, deed hij een paar passen in haar richting tot plotseling een bel begon te rinkelen. Het was doodeng. Menig ander was er als een haas vandoor gegaan maar Peet niet. Hij wilde nu haring of kuit. Hij zag een keurig gemaakte lappenpop, een brandende carbidlamp onder de sluier op haar hoofd gebonden. Het bellen was veroorzaakt doordat hij met zijn voeten
laag gespannen touwen, die kris-kras rond het koepeltje waren aangebracht had geraakt. Het raadsel was opgelost. De bewoner, terecht bang dat hij als huurder op moest krassen bij eventuele verkoop, had dit spook zelf gecreëerd en gezorgd dat het in de omgeving bekend werd.


Spoken, geesten en wat ermee samenhangt; zij komen niet meer voor. Wij zijn te nuchter geworden en zullen er geen praatavond meer aan wijden.
Maar mocht u, ook in deze tijd, nog iets van de sfeer willen proeven, maak dan eens op een donkere najaarsnacht een wandeling door de Sysseltse bossen. De wind boven de bomen, een afbrekende tak of een wegspringend
konijntje zullen misschien een onbehaaglijk gevoel veroorzaken, maar dan kunt u zich enigszins verplaatsen in de tijd dat onze voorouders dergelijke verhalen vertelden.