Vroeger
was er al een supermarket
Het is vandaag precies vijftig jaar geleden
dat het eerste nummer van de Edese Courant verscheen. Wij zouden dit gouden jubileum
natuurlijk kunnen aangrijpen als een welkome gelegenheid om de loftrompet te steken
over ons blad. Wij zouden kunnen wijzen op de geweldige groei van de Edese
Courant vooral de laatste maanden, op de al maar langer wordende lijsten van abonne's,
op de voortdurende uitbreiding van de omvang van ons blad en op de technische
en redactionele verbeteringen, welke wij in de loop der jaren reeds hebben doorgevoerd
of voor de , toekomst nog op het programma staan. Dat zouden wij allemaal kunnen
doen zonder daarbij de waarheid ook maar enigermate geweld aan te doen.
Maar
omdat eigen roem nu eenmaal niet tot de meest welriekende parfumerieën behoort
doen we dit niet. Veel liever willen wij deze gelegenheid benutten om even stil
te staan bij de grote veranderingen, welke zich in onze woonplaats zelf
gedurende
deze halve eeuw hebben voltrokken.
Tussen 1910 en 1960 liggen twee wereldoorlogen,
die van ingrijpende invloed zijn geweest op onze samenleving.
Voor wie niet
zelf de periode voor 1914 heeft meegemaakt is het uiterst moeilijk, zich een voorstelling
te vormen van
het gewone dagelijkse leven, zoals het toen geleefd werd. Maar
gelukkig zijn er nog genoeg oude Edenaren, die deze
periode niet vergeten zijn
en er op smakelijke wijze van kunnen vertellen.
Wethouder Gerrit Jan Jansen
is één van hen en hij was direct bereid op ons verzoek in te gaan
toen wij hem vroegen een praatje te mogen maken speciaal over de toestand van
de Edese middenstand in de goede ouden tijd rond 1910.
Voorzichtig als wethouder
Jansen nu eenmaal is ,had hij zich daarbij de hulp verzekerd van twee secondanten.
De 70 jarige Klaas hendriksen,de vader van de bankdirecteur,en de 74jarige Hendrik
van Zoelen, wiens naam in de Edese middenstandswereld al meer dan 70 jaar
een uitstekende klank heeft.
Het is geen intervieuw geworden in de gewone zin
van het woord. De drie heren hebben hun jeugdherinneringen
opgehaald, waarnaar
we met stijgende belangstelling geluisterd hebben. Toen de tijd, die we voor dit
gesprek uitgetrokken hadden, voorbij was, hadden wijnog lang geen volledig beeld
van de Edese middenstand rond 1910. Daar zouden we dagen voor nodig hebben, werd ons
verzekerd en we geloven dat graag.
Maar zijn juist die kleine persoonlijkeherinneringen
niet waardevoller dan dorre statistieken, met hoeveel zorg ook
samengesteld
?
In officiële rapporten zouden wij nooit het verhaal hebben aangetroffen
van Frits de Jood, dat Klaas Hendriksen zo
smeuïg vertelde.
Frits
de Jood in de burgerlijke stand stond hij ingeschreven als Frits Herz dreef omstreeks
1910 samen met zijn vrouw Sebilla aan de Molenstraat een handel in galanterieën.
Ook kocht hij vodden en oud roest op.
Ik zie hem nog met zijn hondekar door
het dorp rijden, vertelde Hendriksen: Hij had altijd een grote sigaar in
de
mond, die hij aan de ene kant oprookte en aan de andere kant oppruimde. Maar hij
was geen vuurvreter!
Wij woonden in die tijd nog aan de Stationsweg. Op een
keer kwam Frits bij ons aan de deur. M'n moeder was net erg verlegen om een paar
pannen, maar omdat ze niet veel geld had,m'n vader verdiende als tuinbaas f 5.-
in de
week had ze een hoop vodden opgezocht om voor die pannen te ruilen.
Frits
ging die vodden netjes uitzoeken en daarbij lei hij z'n sigaar even opzij.
Toen
hij het spulletje nagekeken had pakte hij z'n sigaar weer, maar hij stak 'm per
ongeluk met het verkeerde eind
in de mond. Hij moet z'n tong wel gruwelijk
gebrand hebben, want zoals ie in tekeer ging, dat vergeet ik nooit meer.
Er
was een konkurt
In 1910 had de Edese Courant nog een geduchte concurrent
aan de omroeper Gaart van de Meijden, die tegelijk ook
nachtwacht was. Als
er een openbare verkoping op komst was of een uitvoering ging hij er op uit om
de Edenaren aan deze gebeurtenis te herinneren. Hij was een trouw en eerlijk man,die
de gemeenschap goede diensten heeft bewezen. Maar men moest er wel vor zorgen,dat
de tekst van wat hij moest omroepen niet te moeilijk was. Daarvan heeft wethouder
Jansen ons een aardig voorval verteld.
Ede bezat in die tijd het symfonieorkest
Crescendo. Toen dit orkest een uitvoering zou geven werd Van de Meijden
in
den ingeschakeld om op de dag van de uitvoering de Edese bevolking mee te delen:
Hedenavond concert van Crescendo.
Maar tot grote ontsteltenis van de organisatoren
van dit cultureel festijn klonk het even later door Edes straten
Hedenavond
konkurt van kreskedo
.
Toch was Ede in 1910 al niet meer het kleine
rustige heidedorpje, dat het in de vorige eeuw nog was. De aanleg van de Rijnspoorbrug
had Ede aantrekkelijk gemaakt als woonplaats voor de meer gegoeden,die hoofdzakelijk
aan de Stationsweg en de Paasberg,maar ook in Bennekom en Lunteren hun villa's
bouwden. De vestiging van het garnizoen 1906 gaf Ede een nieuwe impuls.
De
bouw van de tegenwoordige Mauritskazerne onder leiding van architect Albert Kool
vergrootte de werkgelegenheid. Diezelfde architect bouwde in die tijd ook het
oude militaire tehuis aan de Maanderweg en de gereformeerde Noorderkerk aan de
Amsterdamseweg. Om enig idee te krijgen van de toen geldende prijzen:de bouw van
de noorderkerk heeft slechts 12.000 ,- gekost.
De sterke groei van Ede was
dus in 1910 reeds begonnen,maar toch moet men zich van de grootte van ons dorp
geen overdreven voorstelling maken.
Van de 19.316 inwoners welke er op 31december
1910 stonden ingeschreven waaonden er nog geen 5.000 in Ede . Thans in 1960,zijn
het er ongeveer 35.000.
Met uitzondering van het toenmalige Parkhotel was
ten zuiden van de spoorlijn Arnhem-Utrecht nog geen sprake van enige bebouwing.
Het terrein waar nu de gebouwen van de AKU staan ,heette toen Schraaljammer ,een
typische naam voor 'n vrijwel waardeloos stuk grond. Het gehele complex Ede zuid
is eerst verscheidene jaren later ontstaan. Ter weerszijde van de Verlengde Maanderweg
strekte zich het Maanderzand uit, een woest heuvellandschap,waar de jeugd naar
hartelust kon ravotten en de boeren uit de Maanderbuurt zand haalden voor hun
kippenhokken en veestallen.
Als enige industrie van enige omvang bezat Ede
in 1910 de machinefabriek van de firma Henneman en Co,welke was gevestigd in de
tegenwoordige Apollohal en ongeveer 40 arbeiders in dienst had . Dan was er wasserij
Gelria met 5 mannelijke en 12 vrouwelijke arbeidskrachten ,de houthandel Tulp
met 10 arbeiders en de zuivelfabriek Concordia met 5 arbeiders. De rest van de
bevolking was werkzaam in de bouw en middenstand.
De
kern van het dorp lag in 1910 nog in de buurt van de tegenwoordige Notaris Fischerstraat,
toon nog Grotestraat
geheten. Daar stond het gemeentehuis en daar was ook
de markt. In het dorp waren de wegen bestraat, maar riolering kende men nog niet.
Het afvoerwater werd door open goten langs de straten geleid naar de Maandergracht,
een mooie naam voor een smerige stinksloot ,waarover tijdens de rondvraag
in de gemeenteraad herhaaldelijk werd geklaagd.
Bekende namen verdwenen.
En
hoe was het gesteld met de Edese middenstand ?
Als we de toenmalige burgemeester
mr. Alexander Baron van Heeckeren van Kell mogen geloven, ging het de
winkeliers
nogal voor de wind. In het uitvoerig en beredeneerd verslag van den toestand der
gemeente in den jare
1910 schrijft hij daarover: De toestand van de winkelnering
is gunstig. In het dorp Ede breidt zij zich nog steeds uit.
Tijdens ons gesprek
met wethouder Jansen hebben we getracht een lijst op te stellen van de Edese winkelzaken
in 1910.
Wij zijn daarbij wegens gebrek aan tijd halverwege blijven steken.
De lijst zou trouwens ook te lang geworden
zijn. Maar van enkele branches
hebben we toch een vrij volledig beeld gekregen in en zodoende weten we dat er
omstreeks 1910 in Ede slechts drie slagers woonden, zes kruideniers, vijf
manufacturenzaken, één klokkenmaker en zes bakkers. Hoe groot deze
aantallen op het ogenblik zijn is ons niet nauwkeurig bekend, maar zij vormen
in elk geval een veelvoud van toen. Dat is trouwens ook geen wonder als men bedenkt
dat de bevolking van het dorp Ede in de afgelopen 50 jaar verzevenvoudigd is.
Bestudeert
men de namen van de Edese winkeliers uit 1910 dan komt men enkele goede bekenden
tegen. De zaak van
Hendrik van Zoelen was in 1910 al bijna een kwart eeuwoud.
De grootvader van Job van de Weerd dreef toen reeds
een bloeiende manufacturenwinkel
op dezelfde plaats waar deze zaak nog gevestigd is.
De winkel van Lammert
van de Bospoort aan de Amsterdamseweg is er ook nog evenals die van Bakker
Hansman
aan de Notaris Fischerstraat en zo zijn er nog enkelen meer.
Toch valt het
op, dat vele bekende zaken uit die tijd verdwenen zijn of in andere handen overgegaan.
In dit verband denkt men in de eerste plaats aan de winkel van de firma Van Omme,
schuin tegenover de oude hervormde kerk. In 1910 was dit nog de zaak van Ede.
Men verkocht er niet alleen kruidenierswaren, maar ook spijkers en petroleum.
Het was een soort supermarket, een grootwinkelbedrijf en als zodanig dus eigenlijk
een voorloper van de warenhuizen, welke binnenkort zullen verrijzen op de plaats
waar nu nog het Hof van Gelderland staat en de pastorie van ds.Schipper.
De
Van Omme's waren deftige winkeliers,die de toonaangevende middenstand innamen.
Maar de tegenwoordige generatie kent zelfs hun namen niet meer.
En wie herinnert
zich nog Job Berlijn, de slager,wiens zaak later door Jongenotter werd overgenomen.
Van Silfhout
dreef in 1910 een kruidenierszaak aan de Notaris Fischerstraat
in het pand, waarin Van Wijk thans zijn bromfietsen verkoopt. De weduwe Van de
Burg had haar winkeltje op de plaats waar nu het filiaal van de Amsterdamse Bank
gevestigd is. Bij de schooljeugd had het snoepwinkeltje van Reneman, voor
aan het Maandereind, een zekere vermaardheid vanwege de lengte van het drop,
dat men daar voor een halve cent kon kopen. Het winkeltje stond op de plaats waar
nu café Vink gevestigd is .
Nestelroy dreef zijn pettenwinkel aan
de Molenstraat en daar begon later zijn zoon Hendrik die later eigenaar zou worden
van de grootste papierfabriek in Amsterdam zijn zakjes plakkers bedrijf.
Als
de Edese huismoeders vis op tafel wilden brengen waren zij aangewezen op Mulder
die met de kruiwagen uit Wageningen kwam,of op de Zuiderzeevissers ,die soms tweemaal
per week in het holst van de nacht hun hittekar vol bot bij Geijtenbeek in de
Roskam stalden. Dan klonk de volgende morgenvoor dag en voor dauw de metalen stem
van Gaart van de Meijden door Edese straten:
Hedenmorgen om negen uur grote
afslag van bot onder de toren!
Hard werken en zuinig leven.
Misschien
was het omdat hun kinderen een rustiger werkkring verkozen boven het harde bestaan
van een middenstander,maar in elk geval is het wel opvallend dat zovele bekende
namen uit de Edese middenstand van 1910 verdwenen zijn.
Het ging vijftig jaar
geleden inderdaad vrij goed met de Edese winkeliers,maar zij konden zich alleen
handhaven door twee eigenschappen,die zij in voldoende mate bezaten. Zij werkten
hard en zij waren zuinig.
Zij werkten hard,want de meeste winkeliers bleven
niet rustig achter hun toonbank hun klanten afwachten,zij trokken er op uit. Eerst
gingen zij met een kruiwagen de boer op. Zodra zij in iets betere doen kwamen
schafte zij een hondenkar aan en zelfs waren er enkele bevoorrechten die zich
de weelde van een hittekar konden veroorloven.

Maar zij waren ook zuinig,want
als een Edese bakker in die tijd op de Stationsweg aan het venten was liet hij
zijn kar voor die tolboom staan. Hij hees zich dan een grote mand vol broden op
de rug en bediende de rest van zijn klanten aan de overzijde van de tolboom te
voet. Als hij dan moe en bezweet weer bij zijn kar terug kwam had hij in elk geval
het tolgeld verdiend. En dat was de kapitale som van twee en halve cent.
Men
zegt dat voerlui,die op hun lange wagens in Wageningen stenen gingen halen,op
dezelfde wijze te werk gingen. Zij maakten een grote omweg om de tolbomen te ontwijken.
Maar toch hebben zij het nooit ver gebracht in de wereld ,want voor het uitgespaarde
muntstuk,dat zij natuurlijk wel bij hun baas declareerden,kochten zij onderweg
bij de Keijzer een pierenverschrikker.
 
|